Twee sectoren stilgelegd

15 oktober 2018

Op 11 oktober maakten Burundese overheidsvertegenwoordigers bekend dat er drie hulpverleners zijn gearresteerd, omdat zij met hun werkzaamheden voor een internationale NGO het opgelegde tijdelijke verbod om te werken (sinds 1 oktober 2018) overtraden. NGO’s mogen weer aan het werk wanneer zijn een plan presenteren om binnen 3 jaar aan de opgelegde regels te gaan voldoen. Zij krijgen 3 maanden de tijd om dit plan te presenteren. Zoals eerder op deze site uitgelegd, is het vooral de regel die etnisch registreren verplicht stelt, die de NGO’s dwars zit. Instemmen met deze registratie druist mogelijk in tegen regels in andere landen en wordt gezien als een groot risico dat er gaat worden gediscrimineerd. Het geheel houdt ook de ambassades in Burundi bezig uiteraard. Het bericht over de arrestaties was bij vele Burundezen niet bekend. Wel wist iemand die dichter bij de sector staat te melden, dat er een medewerker van het Rode Kruis was opgepakt. Of deze persoon alweer is vrijgelaten is niet bekend. Verwacht wordt dat financiële partners van de NGO’s in verweer zullen komen, omdat zij hun hulp-biedende activiteiten willen hervatten. Verschillende Burundezen zeggen de maatregel wel te begrijpen, omdat verschillende NGO’s juist wel discrimineren en bijna alleen Tutsi’s aannemen als medewerkers.
(*Meer achtergrondinformatie over de etnische registratie in het verleden staat voor belangstellenden onderaan dit bericht.)

Ook heeft de Burundese overheid een werkverbod neergelegd voor alle bedrijven en coöperaties die mineralen delven in Burundi en deze verkopen. Medewerkers van zo’n bedrijf in de provincie Cibitoke zoeken de publiciteit en melden dat het werkverbod een directe negatieve impact heeft op hun leven. Formeel gaat het om het uitstellen van het werk, maar het gevolg is dat mensen met weinig financiële buffer al snel in zwaar weer verkeren. De regering geeft als reden voor het opschorten van delving op, dat er veel wordt gefraudeerd. Mijnwerkers zouden illegaal mineralen aan andere landen, vooral Rwanda, verkopen, met als negatief gevolg een terugval van de Burundese economie. Omdat de mijnen voor Burundi buitenlandse valuta opleveren, waar een groot tekort aan is, is het effect extra groot, aldus een verklaring van de overheid. Ook gaat het grootste deel van de opbrengst, die Burundi toebehoort, naar het buitenland, terwijl mensen in Burundi sterven van de honger, werd aan de verklaring toegevoegd. Het komt wel uit de Burundese grond en daar wil Burundi zelf van profiteren. Verder zouden de bedrijven hun medewerkers in deze risicovolle sector niet verzekeren via het Nationale Instituut voor Sociale Zekerheid (INSS).

Verantwoording:
De informatie die is gebruikt voor dit bericht van Kennis zonder Grenzen is afkomstig van openbare media en informatie van Burundezen.

*Hieronder volgt voor belangstellenden meer achtergrondinformatie over etnisch registreren en de relatie tussen Burundi en Nederland, deels op basis van informatie van een Nederlandse overheidssite en deels op basis van informatie van enkele in onze ogen betrouwbare Burundezen.

De bevolking van Burundi bestaat uit Hutu/Bantu (85%), Tutsi/Hamitic (14%), Twa/Pygmeeën (1%) en ongeveer 5.000 Europeanen en Zuid-Aziaten. Het land is lang onbekend gebied gebleven voor de westerse wereld. Pas in 1892 werd Burundi, dat toen nog een koninkrijk was, gekoloniseerd door Duitsland. Na de Eerste Wereldoorlog heeft Duitsland het land over moeten dragen aan België en vormde het samen met Rwanda ‘Ruanda-Urundi’. Urundi was de naam die Rwandezen opgaven voor het gebied ten zuiden van hun eigen land, toen de eerste Europeanen in Rwanda vroegen welk land er meer naar het zuiden lag. Urundi betekent ‘het andere land’. Rwanda en (B)urundi worden beide bevolkt door Hutus en Tutsis en hebben daardoor vrijwel dezelfde taal en cultuur. Tot de kolonisatie werd er geen scherp onderscheid gemaakt tussen de bevolkingsgroepen. Burundi werd geleid door een koninklijke kaste, de Baganwa, die boven de beide bevolkingsgroepen verheven was en die voorstond van gemengde afkomst te zijn. De bestuurlijke posities werden door de koning verdeeld onder Hutus en Tutsis. Etnische spanningen in het gebied zijn pas gaan spelen tijdens en na de kolonisatie. Met name de Belgen hebben hier (onbedoeld) een belangrijke rol in gespeeld, door in 1926 te besluiten dat iedereen als Hutu of Tutsi moest worden geregistreerd. Op basis van de destijds in Europa heersende opvattingen over uiterlijke kenmerken, werd vastgesteld dat Tutsis beter konden leren en besturen en kregen zij een voorkeurspositie. Door partijen tegen elkaar uit te spelen naar gelang dit hen het beste uitkwam, hebben de Belgen een wig gedreven tussen de twee bevolkingsgroepen. Na de Tweede Wereldoorlog ontstond er een steeds sterker wordende roep om onafhankelijkheid. In 1955 richtten de Burundezen, ondanks het koloniale bewind, een politieke partij op: de Unité pour le Progrès National (Unprona). De partij bestond uit zowel Hutus als Tutsis. Prins Rwagasore (Tutsi), de zoon van de laatste monarch, zette zich in voor de onafhankelijkheid, die op 1 juli 1962 een feit werd. Rwagasore was toen inmiddels vermoord (13 oktober 1961). Het land was sinds 1959 een constitutionele monarchie, maar deze werd in 1966 afgeschaft door de middels een staatsgreep aan de macht gekomen kapitein Micombero. Hij riep de republiek Burundi uit. Politieke instabiliteit en etnische spanningen hebben geleid tot vele gewelddadige machtswisselingen tussen Hutus en Tutsis in de periode daarna en ook tot genocides in 1972 en 1993. Vanaf 1993 verviel Burundi in een burgeroorlog die 12 jaar zou duren. In 2000 werd het Arusha Vredesakkoord voor Burundi getekend tussen de overheid, gewapende partijen en rebellengroeperingen. Met dit akkoord is ook de basis gelegd voor de Police National du Burundi (PNB) en de Forces de la Défense Nationale (FDN). De verhouding Hutu-Tutsi binnen de politie en het leger werd daarbij op voorspraak van Nelson Mandela grondwettelijk vastgelegd op beide 50% (later werd dit 60/40%). Etniciteit speelt dus nog steeds een rol. De genoemde verdeling is bedoeld om te zorgen dat geen van beide bevolkingsgroepen de overhand krijgt, al staat deze verdeling in contrast met de landelijke verhouding van 85% Hutus en 15% Tutsis.
De procentuele verhouding tussen Hutus en Tutsis in Rwanda en Burundi (‘het andere land’) is ongeveer gelijk, maar de Rwandese overheid wordt, anders dan in Burundi, gedomineerd door Tutsis. De beide landen liggen elkaar niet.
De Burundese krijgsmacht is een samenstelling geworden van de oude krijgsmacht (Forces Armées Burundaises) en de oude rebellengroeperingen (Parties et Mouvements Politiques Armées). Het geweld duurde toch voort tot 2005. In dat jaar legden de laatste partijen de wapens neer en kreeg Burundi een nieuwe grondwet (die – zoals bekend – in 2018 is aangepast). Het land kreeg daarmee destijds ook een nieuw politiek systeem: een meerpartijenstelsel met een gekozen president aan het hoofd, met regeringstermijnen van 5 jaar.
In de burgeroorlog van 1993 was de huidige president Nkurunziza lid van de rebellengroepering de Forces pour la Défense de la Démocratie (FDD), onderdeel van de Conseil National pour la Défense de la Democratie (CNDD). In 1998 is hij bij verstek ter dood veroordeeld voor oorlogsmisdaden, maar in 2003 verkreeg hij immuniteit met het vredesverdrag dat zijn fractie van de rebellengroepering sloot met de toenmalige interim-president. In 2005 werd de groepering een officiële politieke partij, de CNDD/FDD. De partij behaalde een enorme overwinning bij verkiezingen en Nkurunziza werd door het parlement aangewezen als president. Hij heeft belangrijke stappen gezet op de weg naar economisch herstel en onder zijn presidentschap zijn er enorme investeringen gedaan in de landbouw. Tevens zijn er met steun van de Wereldbank projecten opgezet ter verbetering van de infrastructuur en de toegang tot water en elektriciteit. Dit alles werd echter al snel overschaduwd door geruchten dat zijn partij journalisten liet vervolgen die zich kritisch uitlieten over hem of over de partij. In 2010 werd hij opnieuw tot president verkozen, ditmaal dus gekozen en niet aangewezen, met een overweldigende 90% van de stemmen (nadat de 6 tegenkandidaten zich hadden teruggetrokken). De verkiezingen werden getekend door geweld en er werd gevreesd dat het land geregeerd zou worden door één enkele partij. Er bleven ook na de verkiezingen gewelddadige incidenten plaatsvinden en Nkurunziza werd ervan beschuldigd dat zijn partij oppositieleden zou vermoorden en martelen. De omgang met de media bleef ook problematisch. Een andere bron van zorg bleek de jeugdafdeling van de CNDD/FDD, de Imbonerakure. Zij terroriseerden oppositieleden en burgers die zich negatief uitlieten over de president. In 2015 waren er wederom verkiezingen gepland voor gedeputeerden, de gemeenteraad, het parlement en de president. De verkiezingen voor het parlement en de president werden enige tijd uitgesteld ten gevolge van de grote onrust in het land. Een derde ambtstermijn voor Nkurunziza was in de ogen van velen een aantasting van de grondwet en de Arusha-akkoorden, waarin een maximum was gesteld van twee termijnen. Het tegenargument van Nkurunziza was dat hij in de eerste termijn niet door het volk, maar door het parlement gekozen is. Oplopende spanningen leidden in 2015 tot protesten en tot duizenden vluchtelingen in het Grote Merengebied. Met het partijcongres op 25 april 2015 werd definitief duidelijk dat Nkurunziza zich voor een derde termijn verkiesbaar zou stellen. Dit leidde opnieuw tot protesten en geweldsincidenten. De internationale gemeenschap heeft sindsdien formele ondersteuning opgeschort.
Burundi is een van de armste landen ter wereld en het is nog altijd herstellende van de burgeroorlog van 1993-2005. Nederland was op basis van een bilaterale ontwikkelingsrelatie op verschillende manieren betrokken bij het ontwikkelingsproces in Burundi. Het Security Sector Development-programma (SSD) maakte hier deel van uit. Hiertoe werd in 2009 door Nederland en Burundi een Memorandum of Understanding (MOU) getekend. In deze MOU kwamen partijen overeen om zich door middel van een gezamenlijk programma van activiteiten te richten op de structurele verbetering van de veiligheidssector van Burundi. Het ging om trainingen, advisering en materiële ondersteuning. Het doel van het SSD-programma was om te komen tot een veiligheidssector met transparante organisaties en regels, die democratisch beheerd wordt, financieel duurzaam is, verantwoording aflegt voor zijn handelen en in staat is om doeltreffend de veiligheid en rechten van de burgers te waarborgen. De realisatie van deze doelstellingen moest het vertrouwen van de bevolking in de overheid vergroten en bijdragen aan het algemene veiligheidsgevoel en daarmee aan een harmonieuze sociaal-economische ontwikkeling van het land. Na de gebeurtenissen in 2015 is het programma opgeschort en (nog?) niet hervat.

Post navigation