Mensen verzoenen

14 september 2019

Naar aanleiding van het evenement eergisteren over dictatuur, beschouwen we de situatie in Burundi nu eens van een andere kant, namelijk de kant van verzoening na de genocide. Hoewel dit ook een politiek thema is, nemen we het nu onder de loep als een menselijk thema, omdat grote woorden en grote beslissingen vaak veel te ver weg staan van de mensen die daar de meeste last van hebben. Verzoenen gaat in feite over traumaverwerking na de genocide. Er is sprake van een gemeenschappelijk probleem, waar individuele oplossingen voor nodig zijn.

Voor collectieve agressie zoals etnische genocide bestaan verschillende psychologische verklaringen, waarin (politieke uitlokking van) groepsgedrag steeds een rol speelt. Het betreft complexe psychologische theorieën, die de basis vormen van het zoeken naar oplossingen na alle ellende. Bij de uitlokking van (of het niet ingrijpen tegen) genocidaal geweld kunnen mondiaal politieke of lokaal politieke strategieën overheersen. We hebben het over de VN, de VS, Europese landen en Afrikaanse landen in een voor Midden- en Oost-Afrika pijnlijke samenhang. Boosheid over onderdrukking of minachting spelen vaak van beide (etnische) kanten ook een rol bij collectieve agressie, maar degenen die uitlokken zijn de grootste schuldigen.

Uitvoerende daders beleven tijdens hun daden (collectieve) opluchting of zelfs euforie, maar voelen zich na de genocide (individueel) vaak wel schuldig, maar vooral bang en niet meer beschermd door de uitlokkers. Zij moeten hun persoonlijkheid opnieuw uitvinden. In die zin voelen zij zich ook slachtoffers: boosheid en gevoel geminacht te worden zijn achteraf niet verdwenen bij het individu.

Nabestaanden van slachtoffers hebben geen gelegenheid voor normale rouw in de situationele context (aanvankelijk nog altijd gevaar ter plekke, of verblijf in kampen met dezelfde risico’s als voorheen) en in de emotionele verwarring (vragen zich af of hun familie of achterban en daarmee zijzelf eigenlijk ook slecht waren). Bovendien voelen zij zich schuldig tegenover hun overledenen omdat zij wel hebben overleefd en hun overledenen niet (genoeg) hebben geholpen.

Dat processen worden gevoerd tegen uitlokkers van mensenrechtenschendingen, spreekt voor zich. Dit kan bovendien individuele overlevenden (zowel daders als nabestaanden) helpen bij de verwerking van wat is gebeurd. Kleinschalige lokale processen, die parallel plaatsvinden op gemeenschapsniveau op basis van in het verleden bestaande (traditionele) hiërarchische verhoudingen, worden in de samenlevingen geaccepteerd, maar leveren de daders en nabestaanden uiteindelijk meestal niet echt een gemakkelijk gevoel op. Het lokale vonnis, zoals dienstverlening of financiële genoegdoening of het afstaan van een stukje land, kan wel het gevoel geven dat er iets wordt rechtgezet, maar de diepere psychologische problematiek wordt er vaak niet door aangeraakt. Toch moeten de mensen verder met elkaar, of ervoor kiezen elkaar nooit meer te zien. Met elkaar verder gaan in een samenleving betekent dat iedereen zich moet voegen, want iedereen hoorde immers ergens bij. Er zijn mensen die leren om met elkaar in het reine te komen. Zij kunnen goede rolmodellen zijn. Maar er zijn natuurlijk ook veel mensen die psychologisch anders in elkaar zitten en niet verder komen dan met het onreine leren omgaan, en daar is niets mis mee. Van dit laatste zie je soms een duidelijke voorbeeld, als je langer in Burundi verblijft. Hoe twee mensen dagelijks elk aan een kant van de weg lopend elkaar passeren en demonstratief de andere kant op kijken. Na verloop van tijd kijken zij naar elkaar bij het langslopen. Naderhand geven zij elkaar een knikje en bij een volgende keer een voorzichtige groet, en zo steeds verder tot zij elkaar kunnen gaan aankijken. Dit is een proces van maanden. Je kunt ook samen zwijgen om te verbroederen, zoals mensen in de kerk soms doen. In een arme omgeving, waar eten schaars is, is met elkaar samen eten het hoogste goed op meta-communicatief niveau.

In Burundi zijn de lokale processen minder uitgevent dan in Rwanda (dat er aanzienlijke donaties mee oogstte), maar die waren er wel. In Burundi is veel meer eenheid en openheid tussen mensen te zien dan in Rwanda, en dit loopt dwars door etnische groepen heen die vroeger tegenover elkaar stonden. Wat hen hierbij lijkt te helpen is dat zij een collectief gevoel van schaamte hebben. Zij vieren de herdenking van de moord op twee vroegere op verzoening gerichte Burundese leiders elk jaar als een collectieve dag van bezinning. Generaliseren is niet goed, maar het verwerken van een trauma is voor een individu dikwijls minder complex als er open over kan worden gesproken. Ook is het helpend wanneer er in gezamenlijkheid naar een nieuwe situatie kan worden toegewerkt. Burundezen spreken opener dan Rwandezen, die een veel sterkere dictator hebben. Het Westen ziet deze rust onder de armoedige bevolking niet en stelt dat Burundese leiders zich teveel afzonderen van de rest van de wereld, omdat de dictatoriale leiding geen pottenkijkers wil en door kan gaan met het schenden van mensenrechten. Wat dit betreft is het westerse oordeel over Burundi wel erg scherp, zeker in vergelijking met andere landen. De Burundese burgers zijn er de dupe van dat bv. de EU in 2016 de financiële ondersteuning van de Burundese overheid heeft opgeschort (op initiatief van België en Frankrijk). Rwanda kent meer financiële steun (inclusief miljarden dollars van de VS tot recent), meer economische groei en meer onderdrukking.

Dat er nog wel eens geluiden zijn over nieuwe etnische conflicten in Burundi lijkt vooral gekoppeld aan politieke manoeuvres, maar vanuit de bevolking speelt dit nu eigenlijk niet. In aanloop naar de verkiezingen van 2020 passen Burundezen wel meer op hun politieke tellen, maar dat heeft niet met etniciteit te maken (wel met mogelijke dreigingen van milities van de machtspartij). De Burundese burgers hebben geen andere keus dan politieke oppositie vermijden en dagelijks eten zoeken, want zij willen nooit meer oorlog: ‘Plus jamais ça’.

Posttraumatische stress zie je in Afrika vaak niet zoals het ziektebeeld in het Westen (PTSS). In Afrika worden mensen door psychotrauma eerder psychotisch, maar herstellen daar bij een goede en in de context passende psychiatrische behandeling ook sneller van. De samenhang tussen familie en vrienden draagt daar ook toe bij, net als cultureel passende begeleidingen door adequaat opgeleide Burundese psychologen en beperkte medicamenteuze ondersteuning, terwijl psychotherapie op westerse leest geen duurzaam soelaas biedt.

Verantwoording:
De informatie die is gebruikt voor dit bericht van Kennis zonder Grenzen is verkregen van openbare media, van bekenden uit Burundi, uit eigen waarneming en uit de volgende literatuur:
– Erwin Staub: The origins and prevention of genocide, mass-killing, and other collective violence (1999)
– Howard Adelman: Theories of genocide: The case of Rwanda (2005)
– Romeo Dallaire: Shake hands with the devil (2004)
– Gaël Hatzfeld: Une saison des machetes (2003)
– Robert Krueger: From Bloodshed to hope in Burundi (2007)
– Colette Braeckman: Mille collines, mille douleurs (2014)
– Mary Kayitesi Blewitt: Trauma of young survivors of the Rwandan genocide (2009)
– Kenneth E. Miller: War Torn (2016)
– Amy Besamusca-Ekelschot: Een goede geest bestaat niet (2018)
– Gaël Faye: Petit pays (2016)
– Guy Poppe: De moord op Rwagasore (2011)