Gastcolumn: Laten vallen gaat niet helpen

23 september 2019
Laten vallen gaat niet helpen

Naar aanleiding van mijn bijdrage aan “de Nacht van de Dictatuur” in de balie van 12 september kreeg ik van Stichting Kennis zonder Grenzen de uitnodiging om te schrijven over hoe we om hadden moeten gaan met Burundi in de aanloop naar de verkiezingen van 2015 en de nasleep daarvan. Waarom zou ik iets kunnen schrijven daarover? Ik ben van 2004 tot 2014 in Burundi werkzaam geweest als militair: eerst bij missie van ONUB (Organisation des Nations Unies au Burundi), daarna als strategisch adviseur van de Burundese Minister van Defensie, als projectmanager van Peace Building Fund projecten van de PNUD (Programme National des Nations Unies pour le Développement) en als laatste als programma-manager en programma directeur van het Burundees-Nederlands programma betreffende de ontwikkeling van de veiligheidssector. Ik heb van dichtbij kunnen zien en ervaren hoe moeilijk het is om een vredesproces te consolideren in een ontwrichte maatschappij.

Toen ik in 2004 in Burundi aankwam had ik geen idee wat een langdurig conflict doet met een land, met een maatschappij. Doordat elk lid van de ONUB-missie zelf in huisvesting moest voorzien en er dus geen compund was waarbinnen het merendeel van de missie zich afspeelde, kwam ik direct in aanraking met het dagelijkse Burundese leven. Daarbij moet ik wel aantekenen dat ik natuurlijk bevoorrecht was: ik had een goed inkomen, een vaste baan en elke 3 maanden mocht ik gratis terug naar Nederland. Maar dan toch door je open te stellen voor de Burundese buitenwereld, door de veelvuldige contacten met onze Burundese assistenten binnen de diverse organisaties en ook door het proberen en willen te begrijpen waar deze ellende nu vandaan kwam, werd ik vaker en indringender geconfronteerd met de gevolgen van het conflict.

Wat ik me gaandeweg begon te realiseren was dat de maatschappij ontwricht was, waar vertrouwen in de ander en in de regering verdwenen was; waar jalouzie een factor van economische vooruitgang werd en nagenoeg iedereen wel getraumatiseerd was. De armoede, de straatkinderen, het chaotische karakter van de Burundese maatschappij, de aantallen wapens in omloop, maar ook corruptie waren andere gevolgen van, wat de Burundezen, “la crise” noemen. Dan hebben we het nog niet over de stand van de economie en infrastructuur, of zaken zoals onderwijs en gezondheidszorg.

Door de jaren zag ik hoe met hulp van buiten – maar voor een groter deel op eigen kracht – de Burundese bevolking probeerde weer overeind te krabbelen. Niet alleen de bevolking maar ook de politici dienden op een andere manier hun meningsverschillen op te gaan lossen. Om opeens als politieke partij over te schakelen van een oplossing op gewelddadige wijze naar een zo mogelijk gezamenlijke oplossing op basis van het uitwisselen van meningen en gedachten, is geen sinecure. Dan heb ik het nog niet over het opnieuw opbouwen van een geintegreerd leger en politie: laten we de PNB (Police Nationale du Burundi) als voorbeeld nemen: eind 2004 bestond de Burundese politie uit 2000 man verdeeld over 4 korpsen die aangestuurd werden door 3 ministeries. Begin 2005 was er de PNB: 18 – 20.000 man, 1 organisatie aangestuurd door een nieuw ministerie. Waar kwamen die nieuwe politie-agenten vandaan? Het merendeel waren het ex-rebellen die zonder opleiding opeens van combattant de rol en functie van politie-agent moest vervullen.

Wat heb ik geleerd over vredesprocessen en de veranderprocessen, die in een land zoals Burundi deel uit maken van de vredesprocessen? Ten eerste het zijn nationale processen die de betrokken bevolking en politici zelf moeten leiden en ondergaan. Een donorland kan steunen, hooguit een korte tijd als intermediair optreden, maar de oplossingen bevinden zich in Burundi en niet in een land in Europa. De processen zijn ook niet te versnellen, al zijn er kortere routes naar het doel; ook niet als donoren er druk opzetten. Het volgende punt: het is politiek. Maar die politiek heeft moeite om om te schakelen van de houding als combattant in gevechtstenue naar politicus met een stropdas. Iemand die goed functioneert binnen een geweldsorganisatie is niet per sé de meest indrukwekkende vreedzame politicus. De politieke omgeving en processen moesten zelf weer hun stabiliteit hervinden. De politieke atmosfeer is vluchtig: van de ene op de andere dag kun je minister af zijn of minister worden. Als derde, en de bedoeling is niet dat ik hier alle kenmerken opschrijf, het is een maatschappelijk proces. Het betreft het hele land, het moet inclusief zijn en dat is het soms niet van meet af aan. Succes overtuigt partijen en organisaties om deel uit te willen maken van de processen.

Wat ik net schreef maakt dat vredes- en veranderprocessen niet lineair zijn. Er zijn momenten dat er terugval is, er zijn momenten dat het een politieke chaos is, dat is onvermijdelijk. We weten ook dat er daarna weer momenten zullen komen waar de draad weer kan worden opgepakt. En dat weten we van tevoren voordat we ons engageren in een land als Burundi. Helaas, en ik schreef het verhaal over de PNB niet om ze te verdedigen, is het zo dat terugval in een vredesproces vaak leidt tot gewelddadigheden, tot doden en gewonden. Dat is triest en machtsmisbruik is niet goed te praten maar het is en blijft een fact of life. Wat moet je dan doen als gerespecteerd donorland, zoals Nederland in Burundi bekend stond in 2014? Wat je niet moet doen is teneinde de eigen Nederlandse minister te beschermen jezelf terugtrekken zonder daarbij te denken aan de gevolgen. Nee, je moet de communicatie met de Burundese regering open houden en zo hadden we ook moeten ingaan op de vraag van de Burundese autoriteiten om ministerieel overleg te hebben. Trek je jezelf terug, zoals Nederland heeft gedaan met het veiligheidssector programma, en laat je politie en leger over aan zichzelf, dan verlies je je positie als betrouwbare partner. Mocht het over enige jaren weer beter gaan met Burundi dan hoeft Nederland er niet aan te denken dat we op hetzelfde respect kunnen rekenen zoals in de periode 2009-2015.

Wat Nederland had moeten doen in 2015 was een discussie voeren over het volgende onderwerp: “Hoe kunnen we aan de ene kant duidelijk maken dat we onderdrukking van delen van de Burundese bevolking niet kunnen accepteren en tegelijkertijd de communicatie met de Burundese bevolking overeind houden zodat we als het weer beter gaat we nog steeds als betrouwbare partner te boek staan en verder kunnen gaan in ons gezamenlijk streven om Burundi te brengen naar een moment waarop Burundi een rechtstaat is waar respect voor het wettelijk kader en vooral voor Mensenrechten gegarandeerd is?”. Dat is geen eenvoudige vraagstelling maar jezelf terugtrekken leidt tot kapitaalverlies (er was ca. 25 miljoen euro geinvesteerd in 2015), erger nog het ontneemt de hoop van de Burundese bevolking op een duurzame vrede, je verliest je positie van waaruit je nog kan proberen de regering tot matiging van geweld te overtuigen en je drijft Burundi in de armen van landen als China en Rusland. Landen die nu toch niet echt een positief track-record hebben als het gaat om mensenrechten en democratie.

Als allerlaatste: we denken toch niet echt dat het verbreken van samenwerking met de Burundese regering automatisch gaat leiden tot een schrikreactie aan hun zijde meteen gevolgd door een positieve verbetering binnen Burundi? Nee wat we hebben gedaan is de regering terugduwen naar de hen bekende rol van combattant. Niet alleen tegenover delen van de eigen bevolking maar ook tegenover de Westerse wereld. Dat allemaal maakt donorlanden zoals Nederland deel van het probleem van fragiele staten en vredesprocessen, terwijl we eigenlijk deel van de oplossing zouden moeten zijn.

Luitenant-kolonel (b.d.) Alwin van den Boogaard.