Mondkapjes

14 april 2020

In Burundi zijn inmiddels verschillende gevallen van COVID-19 besmetting vastgesteld en er zijn zieken die niet zijn getest, net als in Nederland. De eerste persoon die aan bewezen besmetting door dit coronavirus is overleden is een feit. In de haven is een besmetting vastgesteld en de patiënt in kwestie is in het ziekenhuis opgenomen, terwijl de andere medewerkers nu 14 dagen in quarantaine zijn. Maar de meeste Burundezen kunnen niet in quarantaine in zo’n geval. Zij leven van dag tot dag bij gebrek aan geld. Wanneer het zeer beperkte bedrijfsleven zou stoppen, is er voor niemand meer een inkomen en de overheid heeft geen budget voor bijstand, voor niemand. Vele Burundezen zijn afhankelijk van hun kleine landbouwgrondje, dat zij dagelijks bewerken om aan eten te komen. Of zij lopen dagelijks naar plaatsen waar misschien iets te eten en water te vinden is. Overal lopen mensen, in Burundi, altijd, en dat is bij de bestaande armoede een noodzaak. Quarantaine zou betekenen dat er geen eten meer is. Een Burundees zei het zo: ‘Ze gaan hoe dan ook dood zonder hulp, ofwel aan COVID-19, ofwel van de honger.’
In buurland Rwanda, waar de levensstandaard zoals bekend beter is, leven desondanks mensen in een soortgelijke situatie. Wat de Burundezen vrezen is dat er hetzelfde gaat gebeuren als in Rwanda, namelijk dat mensen zelfmoord plegen omdat ze niet meer weten hoe ze hun familie kunnen onderhouden en hoe ze voor die familie aan eten kunnen komen.

Het is eenvoudig om te zeggen dat er hulp moet komen. Maar het is niet eenvoudig om deze woorden in daden om te zetten, nu heel de wereld in de misère zit en er overal financiële problemen ontstaan. De voorspellingen van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) zijn vandaag duidelijk, het wordt overal moeilijk. Dus wat kunnen wij doen voor een klein landje dat meestal niet de hoofdprijs aan aandacht krijgt? We kunnen in ieder geval de maatregelen die in andere landen zijn genomen uitleggen en in een context plaatsen. We kunnen bedelen bij ministeries. En we kunnen hoe dan ook kennis overdragen over wat er in ons eigen land (en niet alleen daar) fout ging: gebrek aan mondkapjes en andere persoonlijke beschermende materialen en gebrek aan testen. Waarschijnlijk zijn testen te duur voor Burundi, al heeft men er wel. Op grote schaal in Burundi testen op COVID-19 lijkt geen haalbare kaart. Naast de primaire levensbehoefte zijn zeep en mondkapjes nodig. Zeep kan in het land worden geproduceerd. Mondkapjes zouden ook kunnen worden geproduceerd, zeker nu er meer bekend is over welke mondkapjes er voor persoonlijke bescherming nodig zijn. Uit informatie van UNIC Medical Services (gecertificeerd) over infectiepreventie is duidelijk geworden dat voor dagelijks gebruik, bij contact met (mogelijk) besmette personen, een gewoon masker dat geen water doorlaat voor 3 uur volwaardig is. Alleen voor bijzondere medische handelingen, zoals het intuberen van patiënten op een Intensive Care, zijn hoogwaardigere maskers (bv FFP2) nodig, omdat bij een dergelijke handeling niet alleen druppeltjes met het virus kunnen worden overgedragen, maar ook kleinere vochteenheden (aerosolen) met het virus. In het noodzakelijke dagelijkse contact met zieken is een FFP2-masker niet nodig, aldus UNIC, en voldoet een niet-waterdoorlatend masker.

In de contacten met Burundezen blijkt dat ateliers desondanks bang zijn om maskers te gaan produceren, omdat men niet weet of er een afzetmogelijkheid zal bestaan. De bevolking is er te arm voor om ze aan te schaffen. Wij zijn echter nog in contact om verdere mogelijkheden te onderzoeken. Burundi produceert eigen stoffen die vermoedelijk volwaardig zijn om goede maskers van te maken. Dat moet worden uitgezocht. Daarnaast zullen we bezien of er door NGO’s of de UNHCR of andere organisaties bestellingen kunnen worden gedaan, zodat de ateliers niet hoeven te investeren in onzekerheid (dat gaan zij zeker niet doen). Burundi kent goede ateliers en er zijn veel mensen die in staat zijn om het naaiwerk te verrichten. Dus laten we hopen dat er een financiering komt om de productie te garanderen. Dat zal goedkoper zijn dan het aanleggen van waterpompen, al is dit uiteraard ook nog altijd hard nodig. De slechte economische situatie in Burundi heffen we er ook niet mee op, al kan een productielijn van mondkapjes als een druppel op een gloeiende plaat enkele mensen aan een inkomen helpen. Een zo vroeg mogelijke preventiemaatregel middels mondkapjes, in een land waar de anderhalve meter afstand amper een optie lijkt en het percentage kwetsbare mensen hoog is, zou toch het minste moeten zijn om in gang te zetten.