13 oktober 2015
Op deze datum wordt elk jaar in Burundi de moord op Prins Louis Rwagasore in 1961 herdacht. Hij was een Burundese nationalist en werd door de bevolking geprezen omdat hij mensen met elkaar verenigde (zie ook eerder nieuws van KzG). Dit jaar staat de 54e gedenkdag in een ander licht en is er geen groot gevoel van eenheid. De rode draad die nu door de bevolking loopt is niet de gezamenlijk te handhaven vrede, maar de door iedereen gevoelde angst en onzekerheid. Desondanks is het een vrije dag voor wie officieel werk heeft en legt de president met zijn vrouw, zwaar beveiligd, een krans bij het graf van Rwagasore, terwijl de genodigden een toespraak van hun held uit 1961 terugluisteren.
Burundi is een moeilijk te begrijpen land. Wanneer je er eenmaal aan bent gewend dat de herdenkingsdag van iemands gewelddadige dood een feestdag wordt genoemd en begrijpt waarom dat zo is – namelijk om de eenheid die toch was ontstaan te vieren en te koesteren, een belofte aan elkaar om de vrede waar te maken als eerbetoon aan Rwagasore – blijf je je verbazen over de biografieën van sommige bekende Burundesen, die onvoorspelbare wendingen kennen. Zoals Paul Mirerekano. Deze historische persoonlijkheid werd gewaardeerd als een nationalist en een voorvechter voor de rechten van boeren. Onder landbouwers heeft hij een heldenstatus. Langs de weg van Bujumbura naar Bugarama koopt al jaren iedereen zijn fruit, wat te danken is aan de initiatieven die Mirerekano heeft genomen voor de verbouwing van gewassen in deze regio Muramvya. Hoewel de Belgische kolonisator, nog niet bewust van zijn nationalistische gedachtengoed, hem in 1955 wilde bevorderen en overplaatsen naar Rwanda, weigerde hij dit en bracht hij de fruit- en groenteteelt in Muramvya tot ontwikkeling. Het bezoek van koning Boudewijn in 1956 bracht Mirerekano echte populariteit. Op de plaats die Ku mazi y’umwami wordt genoemd (‘het water van de koning’) sprak de Belgische koning zijn waardering uit voor de initiatieven van Mirerekano, nadat deze hem had uitgelegd dat het koloniale beleid moest worden veranderd ten gunste van de boeren. Dit ging direct als een echo door zowel België als Burundi. De koning stuurde hem later twee tractoren, waarvan er echter direct één werd geconfisqueerd door het lokale koloniale bestuur. Mirerekano schreef artikelen en meer, over het sociale recht, over de noodzaak ‘de kleine man’ te beschermen. Met prins Rwagasore richtte hij UPRONA op, na het Verdrag van Kavumu tussen de statusrijke prins en Mirerekano als verdediger van de rechten van de boeren.
Mirerekano beleefde twee grote teleurstellingen. Toen eind juni 1960 Rwagasore en Mirerekano in Congo hun partij UPRONA vertegenwoordigden bij de officiële onafhankelijkheid van Congo, werd ze duidelijk dat de Belgische kolonisator hen wilde arresteren bij hun terugkeer in Burundi. Rwagasore zei Mirerekano in Kinshasa te blijven op kosten van de partij, wat hij ook deed. Van zijn partij kreeg hij tot zijn verbazing geen enkel bericht. Hij verliet na een maand zijn hotel en trok in bij een Lumumbist met de naam Jan Schoonjans, waar hij bleef tot de verkiezingen in Burundi in september 1961. Met een door Schoonjans betaald ticket keerde hij toen terug naar Burundi. Een tweede ontgoocheling viel hem ten deel toen hij ontdekte dat hij niet op lijst met kandidaten stond voor de regering van Rwagasore, zijn strijdkameraad. ‘Ik adviseer mijn kind (de partij) om zijn fout te herstellen’, zou hij, als oprichter van de partij, en public hebben gezegd. Rwagasore was geraakt door deze opmerking en benoemde Mirerekano toen als minister zonder portefeuille. Nadat kort nadien Rwagasore bij de aanslag omkwam, werd Mirerekano vervolgd door zowel de partij UPRONA als door de regering van minister-president André Murhiwa (1961 – 1963), die de zwager was van Rwagasore. Hij vluchtte voor enkele dagen naar Tanzania. Toen na Pierre Ngendandunwe (1963 – 1964) Albin Nyamoya minister-president was (1964 – 1965), had Mirerekano het evenmin gemakkelijk en vluchtte hij opnieuw, deze keer naar Rwanda. In april 1965 besloot hij zich voor de landelijke verkiezingen kandidaat te stellen. Zijn vrouw kwam naar Rwanda om hem de papieren te laten invullen en begon in Burundi de campagne, met als symbool een stormlamp. Op 10 mei 1965 werd hij als gedeputeerde voor Bujumbura gekozen, hoewel hij nog steeds in ballingschap verbleef. Hij keerde terug en werd lid van het parlement en werd er later zelfs vice-president van.
Maar hij wordt ook een man met twee gezichten genoemd, iemand die 180 graden kon draaien, een man wiens leven werd gekenmerkt door instabiliteit en decepties. Rond zijn dood – hij werd vermoord in 1965 – gaan verschillende verhalen. De ene versie is dat hij heeft aangezet tot de massamoord op Tutsi’s in oktober 1965 in Busangana (het latere Bukeye) en Bugarama. Hij had met een ander parlementslid dat de regio vertegenwoordigde een jeugdmilitie gevormd, en hen gezegd dat de Tutsi’s de koning hadden vermoord. De militie moest uit wraak de Tutsi’s in de regio doden. De militieleden, allen Hutu’s en Twa, was geld en land beloofd. De koning van Burundi was echter niet dood en zeker niet gedood door Tutsi’s; het was de Hutu’s juist niet gelukt hem te doden en een coup te plegen. Bij de verkiezingen waren 23 van de 33 parlementszetels bezet geworden door gekozen Hutu’s, maar de koning had een bevriende Tutsi tot minister-president benoemd. Hierop ontstond onvrede onder Hutu’s, met de actie in Busangana en Bugarama als gevolg. Hierna werden nog meer liquidaties gepleegd, op militairen, politiemensen, religieuzen, hoge functionarissen en zakenmensen. In een nog latere fase zijn ook Tutsi boeren omgebracht.
Een andere lezing is dat Mirerekano is omgebracht voordat de gebeurtenissen in Busangana en Bugarama plaatshadden. Toen hun idool was vermoord werden de Hutu’s door de lokale gouverneur aangezet tot een confrontatie met Tutsi’s, die echter gewaarschuwd waren. Een groot aantal Hutu’s zou door een dergelijke valstrik van de gouverneur zijn gedood door militaire Tutsi’s. De genocide begon op 18 oktober 1965. Mirerekano werd voor zover we kunnen achterhalen op 25 oktober 1965 geëxecuteerd, waarbij werd gesproken over het ontbreken van een proces. Over de exacte datum van zijn dood wordt nog altijd gediscussieerd. Het wordt in twijfel getrokken dat hij de monarchie wilde laten vallen. De een noemt hem dus een martelaar voor de boeren, de nationale eenheid en de democratie en de ander noemt hem een verrader.
Er lopen verschillende rode draden door de verhalen over Burundi. Verlangen naar vrede en veiligheid, behoefte aan eten en banen, angst en onzekerheid, nooit weten wat waar is, manipulaties in verleden en heden. Inmiddels vrezen onze bekenden in de actualiteit voor nog verdere verslechtering van de situatie in Burundi. Er vallen teveel doden, het escaleert. De schoonzoon van Pierre Claver Mbonimpa, die zelf in België herstelt van een aanslag (zie eerder nieuws van KzG), is vermoord. Een bejaarde cameraman van RTNB is met zijn hele gezin vermoord. Er vallen dagelijks meer of minder bekende doden. OCHA meldt dat 400.000 Burundesen, al dan niet in vluchtelingenkampen in de regio (niet in Europa zoals vele andere vluchtelingen momenteel), humanitaire hulp nodig hebben en dat hier ruim tweeëndertig miljoen dollar voor nodig is.
Verantwoording:
De informatie die is gebruikt voor dit bericht van Kennis zonder Grenzen is verkregen van openbare media en van bekenden uit Burundi en Nederland. De foto is overgenomen van Iwacu.