21 december 2015
Ruim een jaar geleden publiceerde NU.nl een interview met de Nederlandse ambassadeur in Burundi. We nemen het hier over, om het daarna te vergelijken met het verhaal dat de Volkskrant vandaag publiceerde op basis van een recent interview met deze ambassadeur.
De Nederlandse ambassadeur in Burundi Jolke Oppewal is erg blij met de Serious Request-actie voor, onder meer, het arme Afrikaanse land. “Er is onvoldoende hulp om alle prioriteiten te dekken”, zegt Oppewal in gesprek met NU.nl. Radio 3FM en het Nederlandse Rode Kruis vragen met Serious Request dit jaar aandacht voor kinderen die jaarlijks overlijden aan de gevolgen van diarree. Ieder jaar sterven hieraan meer dan 800.000 kinderen. Dat zijn ruim zeventig volle schoolklassen per dag.
Vanaf woensdag sluiten drie dj’s van 3FM zich in het Glazen Huis in Leeuwarden op en vragen om financiële bijdrages. De hulpactie richt zich vooral op Burundi. Een land waarin 350 mensen op één vierkante kilometer leven en een gebrekkige watervoorziening keer op keer cholerahaarden veroorzaakt. Het land heeft veel inwoners (9,5 miljoen), een hoge bevolkingsgroei, bezit geen natuurlijke rijkdommen en is door de grote afstand naar zee ook nog eens zo goed als afgesloten van de wereldeconomie. “Het is niet een land waarvan je onmiddellijk heel optimistisch van wordt”, zegt Oppewal. De Nederlandse ambassadeur was voor zijn aanstelling in Burundi werkzaam in Mozambique en Rwanda, en erkent de problematiek die Serious Request aankaart. “Kindersterfte is een heel groot probleem. Je wilt niet dat kinderen op een vroege leeftijd doodgaan. En in Burundi gebeurt dat veel te veel. Burundi had de doelstelling om in 2015 de kindersterfte met twee derde terug te dringen. Nou, daar is het land vandaag niet.”
Oppewal is zeer blij met de aandacht die het land door de actie krijgt, maar hij is ook realistisch. “Dit soort initiatieven zijn heel goed en heel nuttig, maar we moeten niet denken dat met een actie tegen diarree de bevolking uit de poel van ellende, waar men hier al zo lang in heeft gezeten, gehaald kan worden.” Oppewal onderstreept bijvoorbeeld het belang van een goed werkende overheid, een belastingdienst en een intacte infrastructuur, “anders blijft het dweilen met de kraan open”.
Samen met de Wereldbank, andere landen en niet-gouvernementele organisaties brengt Nederland in kaart waaraan het in Burundi schort en probeert daarin te voorzien. Daar heeft Nederland volgens Oppewal twee duidelijke redenen voor.
“Wij, als rijk land, vinden dat we met onze kennis, capaciteiten en geld, mensen die het veel slechter hebben moeten helpen. Maar we moeten er ook voor zorgen dat er stabiliteit in Burundi blijft, dat is de tweede reden. Als hier de vlam in de pan slaat krijg je vluchtelingenstromen en vreselijk veel ellende.”
Serious Request roept de Nederlandse bevolking op om te doneren, terwijl het budget dat de Nederlandse overheid heeft gereserveerd voor ontwikkelingshulp dit jaar werd ingekort. “Er wordt veel gekort op ontwikkelingshulp”, geeft de ambassadeur toe. “En daar kun je van denken wat je wilt. Wij als rijk land hebben heel lang de afgesproken 0,7 procent (van het nationaal inkomen, red.) aan ontwikkelingssamenwerking bijgedragen. Nu niet meer, maar daar kan ik me verder niet over uitspreken. Dat zijn politieke besluiten. Ik kan wel zeggen dat we ons ambitieniveau voor het partnerland Burundi op ongeveer hetzelfde peil hebben kunnen houden.”
Nederland investeert jaarlijks meer dan 40 miljoen euro aan ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp in het Afrikaanse land, dat tot de dag van vandaag kampt met de gevolgen van de bloedige strijd die de Hutu’s en de Tutsi’s tot ver in de jaren negentig voerden. Maar met hulp alleen zal Burundi het niet redden, meent Oppewal. “Er moet handel komen. En handel moet je met hulp combineren. Dat kan in een land als Burundi een aantal jaren duren. De economie is nog heel klein, met weinig direct winbare grondstoffen en dat levert een aantal beperkingen op. Maar de belangstelling vanuit het Nederlandse bedrijfsleven begint te komen.” Een maand geleden kreeg Oppewal bezoek van vijftien Nederlandse bedrijven, die zijn aangesloten bij het Netherlands African Business Council. Ze wilden de markt verkennen, zakenpartners zoeken en advies van de ambassadeur winnen. “Vanuit de overheid kunnen bijvoorbeeld eerste, risicovolle investeringen ondersteund worden.”
Nederland heeft 700 miljoen euro aan leningen in een fonds gestopt. Nederlandse bedrijven die in ontwikkelingslanden willen ondernemen kunnen hier onder bepaalde voorwaarden gebruik van maken. Volgens critici is het geld niets meer dan verkapte exportsubsidie. Oppewal noemt liever het verband tussen hulp aan Nederlandse bedrijven die het Burundeze drinkwatersysteem onder handen nemen en het uitbannen van cholera en difteriebrandhaarden van de hoofdstad Bujumbura. Ook op het gebied van landbouw liggen er kansen voor Burundi. “Als we daar goede input krijgen, zoals kunstmest, dan kan de landbouwproductie makkelijk verdrievoudigen.” Tot die tijd valt er veel werk te verrichten voor de Burundezen. Het land staat voor een grote opgave. “Als ik kijk naar de jeugd, vraag ik me af: ‘Waar gaan jullie de banen vinden?’ Dan is het niet eenvoudig om daar een heel geweldige toekomst in te zien.” Maar volgens Oppewal heeft de bevolking de goede instelling. “De Burundezen zijn zo blij met de verworven stabiliteit. En het is noodzakelijk dat het hier stabiel blijft en het land niet terugvalt in oorlog. Want dan zou alles wat er nu is opgebouwd weer verloren gaan.”
Het recente artikel in de Volkskrant, waarin ook de ambassadeur wordt geïnterviewd, is getiteld ‘De duivel is hier aan het werk’. Met als ondertitel ‘Burundi in de greep van de angst’. Hieronder nemen we het artikel van Kees Broere over.
De president van Burundi lijkt zijn macht ten koste van alles te willen behouden. Zelfs als dat uitdraait op een nieuwe burgeroorlog.
Ook in Nyakabiga is het zondag. De inwoners van deze wijk in de Burundese hoofdstad zijn naar de kerk geweest, of gaan later naar de moskee, en slenteren nu wat rond. Ieder voor zich, lijkt het wel; niemand knoopt een gesprek aan. Dan opeens loopt een man voorbij. Hij gooit een kogelhuls op straat. Nog voordat we hem iets kunnen vragen, is hij alweer verder getrokken. Zijn gebaar is door iedereen precies begrepen, maar niemand wenst commentaar te geven. We gaan verder de wijk in. Bij Le Palacio, ooit een populaire uitgaansgelegenheid, is het ook al zo stil. In de blauwe ruiten zitten kogelgaten.
Nog steeds wil niemand een gesprek aanknopen. Totdat Nicaise Ndabiraba op ons af komt. Hij fluistert, deze 67-jarige man. En vertelt over zijn wijk, zijn stad, zijn land. En over zijn president. ‘Hij zegt een man van God te zijn, maar kijk wat hij hier heeft laten doen. Het is het werk van de duivel. We zijn bang, heel bang voor wat komen gaat.’
De wijk Nyakabiga was op 11 december het toneel van het tot nu bloedigste tafereel in het drama dat in Burundi in maart traag op gang kwam. Het is het drama van Pierre Nkurunziza, de president die een nieuwe ambtstermijn ambieerde, terwijl een groot deel van zijn bevolking het na twee termijnen wel genoeg vond.
Een ‘politiek conflict’, zo meenden de meeste kenners toen, niet het begin van een nieuwe burgeroorlog in het land, laat staan een genocide op de Tutsi-minderheid. Maar inmiddels klinken in Burundi steeds meer sinistere geluiden. Nkurunziza en zijn kliek, als Hutu-rebellen de winnaars van de vorige burgeroorlog tussen 1993 en 2005, zouden de macht mogelijk ten koste van alles willen behouden.
Vroeg in de nacht van 10 op 11 december pleegden ‘rebellen’ een aanval op drie militaire kampen in de hoofdstad Bujumbura. De veiligheidsdiensten, vooral die van de politie, sloegen diezelfde dag genadeloos terug, vooral in Nyakabiga. Zeker 87 burgers kwamen om het leven. Van de meesten is het onduidelijk of ze iets met de aanval te maken hadden. Een groot aantal jongeren is sindsdien spoorloos verdwenen. Verreweg de meeste slachtoffers zijn Tutsi’s.
Het bloedbad in Nyakabiga was een omslagpunt. De internationale gemeenschap, die tot dan toe vooral op zoek was naar een politieke dialoog in het land, sloeg alarm. Burundi gaat richting ‘de hel’, aldus Samantha Power, de Amerikaanse VN-ambassadeur en expert op het gebied van volkerenmoorden, in een met opzet gelekte e-mail. De regering in Den Haag besloot vorige week Nederlanders aan te raden Burundi te verlaten.
De Nederlandse ambassadeur Jolke Oppewal zit nog op zijn post. Ook hij klinkt alarmerender dan ooit tevoren. ‘We verwachten niet dat het de laatste keer is dat er geweld uitbreekt’, zegt hij in het ambassadekantoor. ‘We maken ons grote zorgen.’ Volgens Oppewal, die spreekt namens de ‘zeer bezorgde en betrokken’ ministers Koenders en Ploumen, gaat het in Burundi nog steeds om de strijd om de macht, en niet in de eerste plaats om etnische haat tussen de Hutu-meerderheid en de Tutsi-minderheid. ‘Maar dit land heeft een heel traumatische geschiedenis.’ Etnisch geweld, waarbij honderdduizenden mensen om het leven kwamen, in Burundi en het buurland Rwanda: het is allemaal nog niet zo lang geleden. ‘Dat verleden spookt nog rond.’
De afgelopen week maakte ook de Afrikaanse Unie (AU), voor het eerst in haar geschiedenis, duidelijk geen nieuwe genocide op het continent te zullen dulden. De AU wil een ‘preventie- en beschermingsmacht’ van zo’n vijfduizend militairen naar het centraal-Afrikaanse land sturen. De regering-Nkurunziza heeft al laten weten dit te beschouwen als een ‘aanval’ op een soevereine AU-lidstaat (die zelf duizenden soldaten bijdraagt aan de AU-macht in Somalië). Burundi staat op scherp.
Nicaise Ndabiraba, de man uit de wijk, wil dat de AU-macht er heel snel komt. ‘Liefst morgen al.’ Het zal niet gebeuren. Omdat de VN-veiligheidsraad daarvoor toestemming moet geven en het permanente lid Rusland dan naar verwachting op de rem zal trappen. Omdat Afrika minder één is dan het nu laat voorkomen. En omdat een Afrikaanse troepenmacht, zonder Burundese toestemming en met de Burundese strijdkrachten tegen zich, de chaos in het land op korte termijn waarschijnlijk enkel zal verergeren. Het klaroengeschal van de AU moet daarom vooral als een politiek gebaar worden opgevat, menen waarnemers in Bujumbura. Dat lijkt ook het bewind te hebben begrepen. Afgesproken is dat eind deze maand de verschillende partijen in Oeganda toch weer zullen proberen rond de tafel te gaan zitten. Of de regering-Nkurunziza daarbij op hoog niveau vertegenwoordigd zal zijn, is nog zeer de vraag.
‘Het gaat niet goed met dit land’, aldus een nuchtere ambassadeur Oppewal. ‘Leiders die kwaad willen, kunnen de etnische kaart spelen.’ Op het platteland is het redelijk rustig. Maar in Bujumbura is de vrede van de afgelopen tien jaar wreed verstoord.
Bij een foto in de Volkskrant die hier niet is overgenomen: Ondanks nachtelijke schietpartijen waarbij doden vallen lijkt overdag het normale leven in Bujumbura zijn gang te gaan. Bewapende agenten op elke straathoek geven aan dat Burundi in een crisis verkeerd.
Wat in het artikel niet staat beschreven is dat Broere later met een cameraman is opgepakt door de politie, waarna ze een middag zijn vastgehouden. Ze hadden inderdaad niet de juiste papieren bij zich. Ze zijn weer vrijgelaten.
De Nederlandse ambassade in Burundi volgt alle ontwikkelingen, zowel op gebied van voedselzekerheid, gezondheid en de positie van vrouwen, als op gebied van veiligheid. De lezenswaardige Twitterberichten van de ambassadeur volgen een veelheid aan thema’s. Van drinkwater, humanitaire hulp van het Nederlandse leger en steun van Wereldbank en USaid bij de export van koffie tot persvrijheid, verkiezingen en mogelijke etnische risico’s. De Nederlandse regeringsvisie en informatie aan de Tweede Kamer worden niet vergeten. Dat de Nederlandse regering een negatief reisadvies heeft gegeven (16 december 2015) is een dag later ook te lezen op Twitter.
Verantwoording:
De informatie die is gebruikt voor dit bericht van Kennis zonder Grenzen is verkregen van openbare media en van bekenden uit Burundi.