21 juli 2015
Het is 21 uur.
Er zijn enkele geweldsincidenten en enkele doden gemeld vandaag, maar de media geven niet echt veel informatie. De president is weer op de fiets komen stemmen en wilde niet voordringen in de rij. Maar nadat hij had gestemd zouden er weinig andere stemmers zijn gezien, lezen we. Geen idee of het allemaal klopt. Het politieke spel wordt gespeeld.
In de Griekse oudheid verwees de term politiek naar alles wat de burgermaatschappij betrof, als tegenstelling van het individuele. Een onderscheid tussen politiek en sociaal ontbrak. Het begrip ging later verloren, maar politiek als begrip deed opnieuw haar intrede in Europa, toen het feodalisme plaats maakte voor een nieuwe burgerlijke maatschappij, belichaamd door republieken. In deze tijd verwierf het de bijbetekenis ‘de staat betreffend’, ongeacht de bestuurlijke inrichting van de staat. De opkomst van ideologieën als liberalisme en socialisme in de negentiende eeuw voegde een derde betekenis aan het woord toe: de strijd tussen ideologisch gemotiveerde groepen. Auteurs van politieke studies hebben invloed uitgeoefend op de politieke systemen in de wereld. Niccolò Machiavelli schreef rond 1513 De Heerser, een analyse van de machtspolitiek. Karl Marx en Friedrich Engels schreven in 1848 het Communistisch Manifest, dat een van de meest invloedrijke werken van de negentiende eeuw werd. Politiek gaat doorgaans om de strijd om (verdeling van) schaarse middelen, zoals geld, menskracht en expertise. Wetenschapper Harold Lasswell meende dat politiek gaat over ‘wie krijgt wat, wanneer en hoe’ (1998). Soms degradeert een politiek conflict tot een ‘nulsomspel’, de vraag ‘wie er won en wie er verloor’. Nog erger, Lenin stelde dat politiek ging over de vraag ‘wie kan wat aan wie aandoen’. De meeste wetenschappers erkennen dat er sprake moet zijn van enig potentieel tot het gebruik van macht of geweld om een vraagstuk als politiek te bestempelen. Bij het beslissen van een politiek conflict is er meestal sprake van een verplaatsing van macht van de ene groep of persoon naar een andere groep of persoon. Politiek kan ook gaan over het beslechten van morele verschillen van mening, die voldoende ernstig zijn om een sociaal conflict te veroorzaken. In dit laatste geval zal een gezamenlijk overeengekomen proces van arbitrage de kans op geweld verminderen. Theoreticus Bernard Crick benoemde dat politiek eenvoudig ‘ethiek in het publiek’ zou zijn: publieke belangengroepen kunnen het met elkaar (on)eens zijn, discussie voeren, en actie ondernemen om een gewenst resultaat te verkrijgen. Naast de regering hebben ook de journalistiek, religieuze groepen, politieke activisten, lobby’s en economische systemen invloed op onderhandelingen en beslissingen. In Nederland zijn werkgevers en vakbonden belangrijke factoren. Dit komt tot uitdrukking in het poldermodel. Maar het is zeer de vraag of deze laatste theorieën ook echt slaan op de politiek in het Grote Merengebied in Afrika, in het bijzonder in Burundi. Schaarste is er genoeg om principes over verdeling te willen maken, maar wie er wint of verliest is meestal al bekend en wie wint heeft alles: macht, wapens, vermogen, ontwikkelingsgeld, een voetbalclub en een hele goede fiets. Morele aspecten of zelfs maar een visie zijn ver te zoeken. Werkgevers en werknemers zijn nauwelijks georganiseerd en spelen geen rol van betekenis. Wie te hard praat tegen de machthebber wordt tot zwijgen gebracht, meestal met harde hand. Corruptie is een leidend principe om te handhaven.
Hoe zit de politiek in Burundi in elkaar? Hoe komen in de Burundese samenleving de belangentegenstellingen van groepen en individuen tot hun recht? Zijn er onderhandelingen (geweest)? Zijn er verschillende bestuurlijke en maatschappelijke niveaus? De voorgeschiedenis was roerig en complex. Anders dan de meeste andere Afrikaanse landen was Burundi, ten tijde van kolonisatie, al een staatkundige eenheid. Het koninkrijk Burundi werd in 1899 toegevoegd aan Duits Oost-Afrika en kwam in 1916 onder Belgisch bestuur. In 1962 werd Burundi onafhankelijk. Nadien werd de geschiedenis van Burundi gekenmerkt door veelvuldige wisselingen van politieke elite, waarbij dikwijls sprake was van gewelddadige opstanden (in het bijzonder in 1965, 1969, 1972, 1988 en 1993). Vooral in 1972 is veel bloed vergoten: er kwamen circa 250.000 mensen om. Ongeveer 150.000 mensen ontvluchtten het land, onder meer naar het toenmalige Zaïre (nu RD Congo) en Tanzania, waar een grote groep (tweede of derde generatie) vandaag de dag nog steeds verblijft. Tussendoor kwamen er ook groepen vluchtelingen vanuit Rwanda naar Burundi.
Na de onafhankelijkheid in 1962 won de Union pour le progrès national (UPRONA) de verkiezingen. In 1976 greep Jean-Baptiste Bagaza de macht (ten koste van Michel Micombero, president van de eerste republiek), om zelf in 1987 afgezet te worden door majoor Pierre Buyoya. Deze begon een proces van politieke hervormingen die in 1992 leidden tot een nieuwe grondwet, de introductie van een meerpartijen democratie en algemene verkiezingen. Bij de verkiezingen van juni 1993 werd voor het eerst een Hutu tot president gekozen: Melchior Ndadaye (FRODEBU). Buyoya stapte vreedzaam terug en internationaal bestond hoop dat Burundi het symbool kon worden voor vreedzame democratische transitie in Afrika. Deze hoop vervloog abrupt toen Ndadaye in oktober 1993 werd vermoord, wat leidde tot grootschalige gewelddadigheden en wraakacties tussen de Hutu en Tutsi bevolkingsgroepen. Opnieuw vonden tienduizenden de dood en vluchtten honderdduizenden het land uit. Na deze moord werd Burundi bestuurd door een reeks van zwakke en intern verdeelde regeringen en de onrust hield aan. Eerste minister mevrouw Sylvie Kinigi nam na een vlucht naar de Franse ambassade met steun van Buyoya enkele maanden waar als president. President Cyprien Ntaryamira werd in 1994 vermoord. Sylvestre Ntibantunganya werd als president gewantrouwd door zowel Hutu’s als Tutsi’e en vluchtte naar de Amerikaanse ambassade. Zijn vrouw Eusebie was in 1993 door bajonetsteken om het leven gebracht.
In maart 1996 karakteriseerde de VN Speciale rapporteur voor de mensenrechten het conflict als ‘genocide by attrition’. Enkele maanden later greep majoor Buyoya opnieuw de macht, waarop de buurlanden sancties afkondigden tegen Burundi. Deze bleven tot januari 1999 van kracht.
De politiek in Burundi, althans de officiële staatsinrichting, is nu gebaseerd op het Arusha Vredesakkoord van 28 augustus 2000, en de afspraken die op basis daarvan zijn gemaakt. Nadat tweeënhalf jaar was onderhandeld onder leiding van de voormalige Tanzaniaanse president Nyerere, en na diens overlijden door oud-president van Zuid-Afrika Mandela, werd in augustus 2000 het Arusha Vredesakkoord getekend door de Burundese regering en zeventien gewapende groeperingen. Het gewapend verzet van de Forces pour la Défense de la Démocratie (FDD) en de Palipehutu-Forces Nationales pour la Libération (Palipehutu-FNL) namen niet deel aan de onderhandelingen. In oktober 2001 werd de overgangsconstitutie aangenomen. Daarna werd een overgangsregering geïnstalleerd onder president Buyoya, samengesteld uit bijna alle politieke partijen. Gaandeweg dit proces verbeterde ook de veiligheidssituatie in Burundi. In december 2002 hadden drie van de vier grootste rebellengroeperingen overeenkomsten tot staakt-het-vuren getekend met de overgangsregering. In 2003 droeg Tutsi-president Buyoya conform de afspraak de macht over aan zijn Hutu-vice-president Ndayizeye (FRODEBU). Dit versterkte het vertrouwen in het vredesproces. Eind 2003 werd tenslotte een aanvullend akkoord gesloten tussen de overgangsregering en de CNDD-FDD. Hierdoor kwam aan de burgeroorlog formeel een einde. Alleen het FNL weigerde nog altijd de wapens neer te leggen (hoewel er wel weer onderhandelingen plaatsvonden tussen regering en rebellen). President Domitien Ndayizeye heeft tijdens zijn regeerperiode gezorgd voor een verdere consolidatie en uitbreiding van het vredesproces. Een van de belangrijkste verworvenheden onder de regeerperiode van Ndayizeye was de overeenstemming die tussen alle partijen werd bereikt over een nieuwe grondwet. In een referendum op 28 februari 2005 is de grondwet formeel aangenomen. Op 3 juni 2005 heeft het Burundese volk de gemeenteraden gekozen en op 4 juli het parlement. Op 29 juli 2005 hebben de lokale en provinciale raadsleden de leden van de senaat gekozen. Het parlement heeft vervolgens op 19 augustus 2005 Pierre Nkurunziza verkozen tot president van Burundi. De transitiefase kwam in augustus 2005 ten einde met de inauguratie van president Nkurunziza, wiens CNDD-FDD dus als laatste het akkoord had getekend. De nieuwe regering bestond uit twintig leden. De wetgevende macht bestond uit honderd leden van een direct gekozen parlement. Daarnaast waren er achttien aangewezen om etnische en gendercompositie te waarborgen. Ook was er de senaat, die bestond uit vierenvijftig leden. Bestuursmatig was Burundi verdeeld in zeventien provincies, die op hun beurt weer waren onderverdeeld in districten en vervolgens in communes. De Burundese wetgeving was gebaseerd op de Belgische. De Palipehutu-FNL van Agathon Rwasa is de enige die buiten alle akkoorden is gebleven. Gevechten tussen het Burundese regeringsleger en het FNL gingen door, maar beperkten zich grotendeels tot de provincies Bubanza, Bujumbura Rural en Cibitoke. In september 2006 kwam er in Tanzania een staakt het vuren tot stand tussen de regering en het FLN. In april 2008 was het weer onrustig, het FLN wordt beschuldigd van een mortieraanval op Bujumbura. Een VN missie om toe te zien op het vredesproces werd uitgesteld. In april 2009 werd Godefroid Niyombare benoemd als legerleider, de eerste Hutu die deze functie uitoefende. President Nkurunziza won in juni 2010 de presidentsverkiezingen, die door de oppositie werden geboycot. In augustus 2013 verklaarde Agathon Rwasa als leider van het FLN dat hij in 2015 mee wilde doen aan de presidentsverkiezingen. In maart 2014 blokkeerde het parlement een poging de grondwet te wijzigen omdat men bang was dat dit de balans tussen de verschillende etnische groepen zou verstoren.
De economische situatie van Burundi bleef deplorabel. Ook toen het geweld verminderd was, verkeerde de economie in een voortdurende crisis. Er was nog altijd een chronisch gebrek aan buitenlandse valuta. Er heerste grote werkeloosheid. Meer dan zestig procent van de bevolking, met name op het platteland, leefde onder de armoedegrens. De landbouw leed achtereenvolgende jaren onder gebrek aan regen. Ook de nog voortdurende rebellenaanslagen in sommige gebieden deden de landbouw geen goed. Naast de opeenvolgende slechte oogsten door droogte, tastten de daarmee gepaard gaande prijsstijgingen het levenspeil verder aan. Het belangrijkste element van de officiële economische politiek van de Burundese regering bestaat uit de ‘interim strategie’, zoals overeengekomen tussen de regering en de Wereldbank (interim-PRSP). De regering bracht in februari 2006 een programme d’urgence uit, vooruitlopend op het nieuwe volledige PRSP, wat leidde tot een schuldenverlichting onder het HIPC initiatief (Heavily Indebted Poor Countries) van Wereldbank/IMF. Het BNP van Burundi steeg van 2006 tot en met 2013 jaarlijks met circa vier procent.
Vandaag zal er door de presidentsverkiezingen, weliswaar enkele malen uitgesteld, weinig tot niets zijn veranderd in Burundi. Alleen zullen er meer mensen moeten worden begraven dan nodig zou zijn geweest. De op menig Burundees monument getekende vredesduif is een leeg, vervlogen symbool geworden in de laatste maanden. De verdeling van eten en van kansen in de nabije toekomst is geëindigd in het vertoon van macht, zonder ideologie, zonder ethiek, zonder debat, zonder media en met het opzwepen van angst voor wapens en honger. Terug naar een feodale toekomst.
Verantwoording:
De informatie die is gebruikt voor dit bericht van Kennis zonder Grenzen is verkregen van openbare media en van bekenden uit Burundi, België en Nederland. De foto van Pierre Nkurunziza is overgenomen van de BBC.