4 augustus 2015
Boeren vormen de grootste groep bewoners in Burundi. Het is hun belang om meer echte politieke invloed te krijgen. Hier gaat de laatste tijd direct of indirect dan ook veel van ons nieuws over. We willen als kennisstichting ook het grote belang van de boeren benoemen, dat is verbonden aan de landbouw op zich. Op 14 juni en 21 juli 2015 besteedden we aandacht aan ADISCO. Oprichter Déo Niyonkuru leert gemeenschappen om hun lot in eigen handen te nemen. ‘We willen bijdragen aan de opkomst en de uitbreiding van een nationale sociale beweging die haar eigen ontwikkeling kan sturen en die het beleid kan beïnvloeden om rekening te houden met de armsten in de samenleving. ADISCO wil mensen ook bevrijden van het gevoel dat ze niet aan de armoede kunnen ontsnappen.’ In Blikveld van de Koning Boudewijnstichting geeft hij aan dat armoede niet onvermijdelijk is. Met groepen voor zelfredzaamheid en solidariteit vormt ADISCO kernen, waaruit verschillende gemeenschapsprojecten groeien. De organisatie zoekt daarbij geen extern geld, want ‘koud geld is gemakkelijk geld waar de gemeenschap niets voor hoeft te doen en dat leidt zelden tot duurzame ontwikkeling’. Alle plaatselijke projecten zijn financieel autonoom. Mensen werken voor bijvoorbeeld een ziekteverzekering of sociale deelname aan een coöperatie. De organisatie helpt ook om samen oplossingen te vinden voor de productie, commercialisering en bewerking van producten. ADISCO werkt met opmerkelijke maar leerzame registraties en statistieken:
– aantal jongvolwassenen in programma’s voor socio-economische ontwikkeling van de jeugd (1689)
– percentage huishoudens met minstens één dier (86%)
– percentage huishoudens dat een anti-erosiesysteem heeft ingevoerd (77%)
– percentage huishoudens dat bomen heeft gepland in het kader van agrobosbouw (70%)
– aantal ziekenfondsdeelnemers (113.000)
In een artikel van NWO (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek) van mei 2014 over plantenveredeling wordt de vraag gesteld hoe Afrikaanse landen intellectueel eigendom kunnen inzetten om plantenveredeling te stimuleren, zonder de grote massa kleine boeren het recht te ontnemen zaden te ruilen zoals ze dat al duizenden jaren doen. In Afrika is de bevolkingsaanwas groter dan waar ook ter wereld. Volgens recente cijfers zal het aantal bewoners van het continent voor het eind van de eeuw verviervoudigd zijn. Hoe kunnen al die monden in snel uitdijende metropolen als Lagos, Khartoum of Accra worden gevuld? Lastiger nog: hoe kunnen ze worden voorzien van gezonde verse groenten en fruit? Intensieve tuinbouw in de periferie van steden lijkt het enige antwoord en zon is er in elk geval genoeg. Maar om de productie op te stuwen heeft Afrika ook het allerbeste zaad nodig: nieuwe rassen met een grote kiemkracht en bestand tegen droogte, hitte, schimmels, ongedierte of wat voor uitdagende omstandigheden zich ter plekke mogen voordoen. Dit is waar Nederland om de hoek komt kijken, nummer 1 op de wereldranglijst van zaadexporteurs en expert bij uitstek op het gebied van tuinbouwinnovatie. … Nederlandse handelaren in zaden, bollen, knollen en stekken hebben Afrika veel te bieden en omgekeerd is het continent voor Nederlandse ondernemers een markt met enorme groeipotentie. Maar er komt heel wat bij kijken om met alle technologie die nu beschikbaar is een nieuw plantenras te ontwikkelen. Daar moet zeker tien tot vijftien jaar in worden geïnvesteerd. En of de ondernemer die investering ooit terugverdient is maar de vraag, zeker in politiek instabiel Afrika, waar de ondernemersrisico’s extra hoog zijn.’
Wat zo’n investering ook ontmoedigt, is dat nieuw ontwikkelde plantenrassen in de meeste Afrikaanse landen niet door intellectueel eigendom kunnen worden beschermd. Heeft een Nederlandse teler miljoenen uitgegeven om een superieur tomaten- of okra-ras in de markt te zetten, dan kan een ander daar ongestraft mee aan de haal gaan. ‘Dat is geen duurzaam bedrijfsmodel….. Op die manier is plantenveredeling voor Afrika een kwestie van liefdadigheid.’
Afrikaanse overheden zien dat zelf ook. Ze proberen voorwaarden te scheppen om tuinbouwinnovatie wél aantrekkelijk te maken voor bedrijven, zodat hun boeren beter zaad krijgen. Kenya, Ethiopië, Tanzania, Ghana en Oeganda hervormen hun landbouwsysteem. In verschillende stadia zijn ze allemaal bezig een regime in te voeren voor intellectueel eigendom op plantenrassen. Zaden mogen dan niet langer zomaar worden verhandeld of geruild; voor elke nieuwe zaadoogst moet iets worden afgedragen aan de ontwikkelaar van het ras, zodat deze zijn investering terugverdient. Dat is een stimulans voor plantenveredelaars, maar zorgt ook voor onrust. Actiegroepen als de Alliance for Food Sovereignty in Africa verzetten zich fel. Zij vinden dat plantenrassen principieel niemands eigendom kunnen zijn en vrezen dat duizenden jaren oude tradities van het onderling ruilen van zaad nu plotseling illegaal zullen worden. Grote zaadbedrijven daarentegen menen dat als Afrikaanse landen willen meedoen, ze zich gewoon moeten aanpassen aan de wereldwijd geldende regels zoals die zijn vastgelegd door de in Genève gebaseerde UPOV (Union Internationale pour la Protection des Obtentions Végétales). Een uitweg vinden uit deze impasse, is het hoofddoel van Intellectual Property Regimes for pro-poor innovation in agriculture, een onderzoeksproject in het NWO-programma Maatschappelijk verantwoord innoveren. ‘Zonder een vorm van intellectueel eigendom blijft alles bij het oude en laten we Afrikaanse boeren in de kou staan, ook de armste en de meest hongerige. Maar het westerse landbouwmodel zoals dat weerspiegeld wordt door UPOV laat zich niet één op één overplanten naar Afrika. We zullen een manier moeten vinden om én innovatie te stimuleren, én al die boeren te helpen die slechts een kleine akker bezitten, maar intussen verantwoordelijk zijn voor tachtig tot negentig procent van de voedselproductie in Afrika. Zij kunnen geen dure zaden betalen en het zou absurd zijn hun te verbieden zaden te ruilen, ook al zit daar genetisch materiaal in van een door intellectueel eigendom beschermd ras’, aldus de projectleider. ‘Al vijftig jaar probeert men de informele landbouw in een formeel keurslijf te dwingen’, zegt hij. ‘Ook nu weer. Maar kleine boeren zullen niet plotseling veel geld neertellen voor een superieur nieuw tomatenras. Niet alleen hebben ze dat geld niet, ze kunnen zich ook weinig voorstellen bij de hogere opbrengst die dat dure zaad hun oplevert. Bovendien zijn ze gewend alleen voor hun eigen gezin te produceren en hebben ze niet één twee drie een afzetmarkt voor al die heerlijke dure tomaten. Het zou een belangrijke stap zijn als Afrikaanse regeringen onderkennen dat hun landbouwsector een breed spectrum is: van commerciële bedrijven tot kleine keuterboertjes. De eerste help je met goed, duur, juridisch beschermd zaad. Voor de laatste moet er voorlopig een andere oplossing komen, bijvoorbeeld lokale innovatie, kwaliteitscontrole, of vrijstelling van het betalen van eigendomsrechten’, vervolgt de projectleider.
UPOV heeft een nieuwe interpretatie gegeven aan de ‘uitzondering voor privé- en niet-commercieel gebruik’ in haar internationale raamverdrag. Voortaan is het kleine boeren toegestaan zaaigoed dat ze verzameld en bewaard hebben op hun eigen land – ook als dat door intellectueel eigendom is beschermd – binnen hun eigen gemeenschap met elkaar te ruilen.
‘Het Nederlandse beleid heeft twee doelen: voedselzekerheid voor Afrika én een bloeiende Nederlandse zaadsector. Als we eraan kunnen bijdragen dat het intellectueel eigendom in Afrika zo geregeld wordt dat ook kleine boeren er beter van worden, dienen we beide doelen.’ Commerciële partijen zien ook wel in dat straatarme boeren in Afrika hun dure zaden niet kunnen kopen. Wij zijn er vóór om in de wetgeving onderscheid te maken naar type bedrijf: wie kan moet meebetalen aan de investering in zaadinnovatie, wie niet kan hoeft dat voorlopig niet. De Nederlandse wetenschappers helpen om dat ideaal dichterbij te brengen. Ze kunnen dat ook, omdat ze zelf geen direct belang hebben; voor hen gaan deuren open die voor anderen gesloten blijven. Nederlandse plantenveredelaars hebben inmiddels meer oog voor de belangen van boeren in Afrika.
Verantwoording:
De informatie die is gebruikt voor dit bericht van Kennis zonder Grenzenis verkregen van openbare media.