Dynastie en identiteit

19 augustus 2015

Burundi en Rwanda zijn van oorsprong gescheiden landen, die tijdens de kolonisatie tijdelijk waren samengevoegd. Burundi was een decentraal koninkrijk, Rwanda was een centraal koninkrijk. De geschiedenis van de landen en in het bijzonder de relatie tussen geschiedenis en identiteit is daarmee anders. Burundesen identificeren zich in de eerste plaats met hun geboortegebied en vervolgens naar genetisch onderscheid met andere groeperingen. De verschillende mythes of theorieën hierover maken dit erg complex.

Het is een ingewikkeld verleden dat Burundi heeft en misschien vindt niet iedereen het even interessant. Toch kan het van belang zijn in de actualiteit ook de geschiedenis van de dynastieën te begrijpen. Het lijkt vooral de CNDD-FDD te zijn die zich hier nu actief mee bezighoudt, maar in het verleden waren het mogelijk ook Palipehutu, de FNL en Uprona, waarvan de oprichtingen een relatie hadden met identiteiten. Verschillende buitenlandse schrijvers hebben zich beziggehouden met de dynastieën in Burundi, waaronder Rodegem, Lemarchand, Martin, Vansina, Meyer, Weinstein, Malkki, Weber, De Swaan, Chrétien en Trouwborst. Hieronder zullen we er aan de hand van hun informatie iets meer over weergeven. Antropologen hebben steeds de bevolking van Burundi beschreven aan de hand van hun migraties en etnische achtergrond, waarover twee theorieën op de voorgrond staan. De een is de Hamitische theorie, zeggende dat eerst de Batwa het land in kwamen, daarna de Bahutu en tenslotte de Batutsi. De andere theorie gaat ervan uit dat de Ganwa dynastie als eerste aanwezig was (met een mysterieuze herkomst). De koloniale literatuur zou de Ganwa met de Tutsi’s verwarren, die twee totaal verschillende sociale groeperingen zouden zijn geweest. Met deze hoofdlijnen in het hoofd is de volgende uitleg misschien het makkelijkst te volgen.

In het pre-koloniale Burundi bestond het regeringssysteem uit twee lijnen, een religieuze of spirituele lijn en een koninklijke lijn. Deze lijnen werden vertegenwoordigd door bepaalde dynastieën of clans (umuryango). Door de kolonisatie verdween de spirituele lijn (deze werd verboden vanuit het christendom) en daarmee het aanzien van verschillende dynastieën. De Belgen maakten verder alleen onderscheid tussen Hutu’s en Tutsi’s, een etnische splitsing die onvolkomen was: het onderscheid werd niet gemaakt op basis van de vroegere terminologie, zoals er vroeger de Bahutu en de Batutsi waren die deel konden uitmaken van een en dezelfde dynastie. De Tutsi’s waarover uiteindelijk in het Arusha Akkoord wordt gesproken zijn de Hima (Bahima).

Het koninkrijk van Burundi (Urundi) zou omstreeks 1550 zijn gesticht. Er was niet zoals in Rwanda (Ruanda) een centrale macht. In Burundi was de macht verdeeld tussen tamelijk autonome politieke eenheden, met elk een prins (Ganwa) aan het hoofd en er waren de nodige rivaliteiten. Door de hoge status die de prinsen was toebedeeld werden ze gezien als een aparte etnische groep, die ver boven de Banyaruguru (de hoge kaste) en de Hima (de lage kaste) uitstak. Dit wordt verderop nader uitgelegd. De variëteit aan Tutsi’s was in Burundi veel groter dan in Rwanda. De koninklijke families stelden al eeuwen geleden vaak Hutu’s aan als chef, wat verklaart dat Hutu’s in Burundi vooraanstaande boeren konden zijn. De Burundese maatschappij was erg hiërarchisch opgebouwd. Soms wordt gezegd dat het land kenmerken had van een feodaal systeem. Anderen zien daarnaast ook een etnisch onderscheid als basis voor een indeling in klasse, kaste of elite als grond voor de sociale opbouw. De sociale hiërarchie als geheel transformeerde tussen de pre-koloniale en post-koloniale tijd en tussen het einde van de monarchie en de huidige tijd aanzienlijk. Etnische onderscheid lijkt van oorsprong niet de belangrijkste indeling in de maatschappij Burundi te zijn geweest, maar is door de kolonisatie wel relevant en erg problematisch geworden.

Historische verhalen over de vestiging van koninkrijksgebieden in Burundi zijn tamelijk hypothetisch, omdat er vanuit de narratieve cultuur weinig bewijzen zijn. Er wordt wel gesproken over mythische historie, waar verschillende versies van bestaan. Het is het meest waarschijnlijk dat de Twa (Batwa, Abatwa) als eersten in het gebied woonden. Zij vormden en vormen een zeer kleine groep. Daarna kwamen de Hutu’s (Bahutu, Abahutu; enkelvoud Muhutu, Umuhutu) en nog later de Hima en de Tutsi’s. Veel belangrijker waren aanvankelijk – en voor velen nog steeds – de gevestigde dynastieën. De eerste koningen zijn mogelijk Hutu’s geweest. In de zestiende eeuw kwamen er Tutsi’s (Batutsi, Abatutsi, Watusi; enkelvoud Mututsi, Umututsi) uit het noorden en oosten. Anders dan in Rwanda kende Burundi twee subcategorieën Tutsi’s, de Tutsi-Abanyaruguru en de Tutsi-Hima (Bahima). De Hima zouden volgens sommige Tutsi’s een niet zuivere kaste zijn van zowel nomadische veehoeders (‘pastoralists’) als arme landbewerkers. De Tutsi-Banyaruguru waren vooraanstaande veehoeders en zij vormden een ‘nobele kaste’ en konden met leden van de koninklijke familie trouwen. Tenslotte waren er ook de Ganwa (Abaganwa) met koninklijk bloed, waar koningen (Bami; enkelvoud Mwami) en chefs toe behoorden. Zij waren over het algemeen geen Tutsi’s. Voor 1962 werden de Ganwa gezien als de politieke autoriteiten van Burundi en de heersende kaste. Tegen het eind van de monarchie echter namen de Hima de politieke autoriteit over. Zij werden dominant in het leger en zouden verantwoordelijk zijn geweest voor de massamoorden van 1972. Zij werden de spil van de machtsstructuur. Een andere theorie is dat de Tutsi’s die naar Burundi kwamen weliswaar inderdaad geen eenduidige groep vormden, maar dat de eerste groep die kwam bestond uit Ganwa, die door strijd of een politiek verbond met Hutu’s infiltreerden. Zij zouden de voorouders zijn van de Tutsi-Abanyaruguru (‘zij die uit het noorden kwamen’). Zij zouden mogelijk wel etnisch zijn verwant aan de Tutsi’s die pas eeuwen na de Hutu’s arriveerden. Deze Tutsi-Bahima (‘die uit het oosten kwamen’) vormden een lagere kaste, maar waren later politiek dominant. De huidige Tutsi’s zouden volgens deze theorie zowel Ganwa als Abanyaruguru en Hima zijn. Tijdens de kolonisatie is veel gespeculeerd over hun feitelijke herkomst. Duitse antropologen veronderstelden dat de oorspronkelijke bevolking van het Grote Merengebied van Bantu of ‘Negroïde’ oorsprong was, terwijl de ‘Tuutsi’ werden ingedeeld bij de ‘Ethiopide’ of ‘Nilotische’ stam die terug zou gaan tot ‘Hamitische’ of ‘Semitische’ wortels. Volgens sommigen wilden Noorderlingen de geschiedenis van het antieke Egypte, Ethiopië en Somalië wit maken, het Hamitisme. Bovendien werd, zoals al genoemd, de meer religieuze lijn van heersers verboden door de Belgen. In 1926 begonnen de Belgische autoriteiten gemeentelijke bevolkingsregisters aan te leggen met voor elke onderdaan een stamkaart, compleet met pasfoto en beschrijving van etnische herkomst. In het hele Grote Merengebied wordt bij officiële zaken, zoals een behandeling in het ziekenhuis, nog altijd de stam geregistreerd.

De herkomst van Burundesen is dus onderwerp van een breed debat, met weinig bewijzen, maar belangrijker is dat het een bittere politieke strijd is geworden. De na de kolonisatie aanvankelijk door Tutsi’s gedomineerde regering hing een andere geschiedkundige versie aan dan Hutu’s in vluchtelingenkampen in bijvoorbeeld Tanzania, die de relatie tussen de Ganwa en Hutu’s als relevant voorop stelden. En ook onder deze vluchtelingengroepen leefden (en leven) weer verschillende theorieën, die groepsleden een identiteit gaven en hen onderscheidden van ‘anderen’. De ene groep identificeerde zich bijvoorbeeld meer met Tanzanianen (‘niet-Burundesen’) en wilde niet naar Burundi terug, de andere groep met radicale Hutu’s (‘niet-Tutsi’s’), die Palepehutu (voorloper van de FNL) oprichtten (in het vluchtelingenkamp in Mishamo in Tanzania) en zeker terug wilden naar Burundi (invasie in 1990). De reactieve identiteiten werden als het ware nieuwe kasten of elites, die in het heden van belang zijn om gedachtengangen over de politiek te begrijpen. De Pinkstergemeente speelt ook een rol in het voortbestaan van deze nieuwe identiteiten. De wijze waarop Europeanen de indeling in Hutu’s en Tutsi’s hebben gemaakt als meest relevant, en die achteraf door velen als oneerlijk en niet-democratisch wordt gezien, heeft de mythisch historische verhoudingen op scherp gezet. Oude identificaties en reactieve nieuwe identificaties zijn voor buitenstaanders vaak niet zichtbaar en ook binnen de Burundese setting maken mensen hun identiteit of identificatie meestal niet zomaar bekend. Je identiteit kan consequenties hebben op politiek of maatschappelijk niveau, of je slachtoffer maken van wraak.

Samengevat regeerden de Ganwa het vroegere koninkrijk en zij waren verwant aan ofwel Hutu’s ofwel Tutsi’s. Zij worden hoe dan ook meestal onderscheiden van de Tutsi’s in de hogere kaste, die op kleinere schaal politieke macht kregen. De Tutsi’s verachtten de Hima als lagere kaste, die wel op hen leken. Nog lager stonden de Twa. Het ongelijkheidsidee is erg uitgesproken. Alle klans en subgroepen hiervan staan in een hiërarchie. Onderzoekers vragen zich af hoe de Hutu’s in vroegere tijden hun oorspronkelijke autonomie kwijt konden raken. Mogelijk hangt dit deels samen met de overdracht van vee, wat samen ging met de overdracht van souvereiniteit. Er kan ook een relatie zijn met militaire overheersing door Tutsi’s. Anderen stellen dat het met de karaktereigenschappen en talenten van Tutsi’s te maken had. Hoe dan ook lijkt het erop dat er een wederzijdse afhankelijkheid was ontstaan die werkte. De werkwijze van de Tutsi-nomaden in hun relatie met de oorspronkelijke bewoners ging verder dan een financieel contract, het ging ook over trouw, de vraag wie je diende en bij welke baas je behoorde. Het was waarschijnlijk een combinatie van handel en infiltratie. René Lemarchand benoemde de sociale cohesie van Burundi als feodale symbiose, waarbij de monarchie de nodige verdere samenhang bood: ‘Through the institution of clientship (‘contract of pastoral servitude’, gebaseerd op onderlinge trouw zoals in het feodale Europa de koning – heer – slaaf verhouding, KzG) Hutu and Tutsi were caught in a web of interlocking relationships extending from the very top of the social pyramid to its lowest echelons, with the Mwami acting as the supreme Patron – which in turn underscores the unifying aspects of the monarchy, both as a symbol and an institution.’ En: …’Hutu refers to a “social subordinate” in relation to someone higher up the pecking order…”social son” is perhaps even more accurate, since it denotes not just social inferiority but a measure of affectivity… Thus a Tutsi cast in the role of client vis-à-vis a wealthier patron would be referred to as “Hutu,” even though his cultural identity remained Tutsi.’ Ongelijk, maar symbiotisch, wat de samenhang sterk maakte. Het samenhangende systeem was stabiel in zichzelf. Onderzoeker Vansina beschreef dat de orale traditie in Burundi erg belangrijk is geweest, maar dat deze selectief was. Raciale of etnische verschillen bestonden wellicht wel, maar zijn niet meegenomen in de narratieve overlevering.

Toen aan het einde van de negentiende eeuw de Witte Paters en de Duitse militairen als eerste Europeanen naar Burundi kwamen, was het land een decentraal koninkrijk. Europeanen zagen alles wat nieuw was als hun eigendom en brachten Burundi (net als Rwanda) onder Duits bewind (1885). Vanaf 1916 voerde België het mandaat en het gebied werd samengevoegd en Ruanda-Urundi genoemd. Zowel de Duitsers als de Belgen gaven de afgeleide uitvoerende macht aan de Tutsi- en de Ganwa-elite, die hoge belasting hieven bij Hima, Hutu’s en Twa. De Europese heersers hadden er belang bij dat een groep in de bevolking de leiding nam en dit viel samen met hun fascinatie voor de zeer verfijnde kaste-hiërarchie met een hegemonie van degenen die zij als Tutsi’s zagen. De Tutsi’s hadden in hun ogen een ‘charmante onbeschaamdheid’ zoals blanken, terwijl de zwoegende Hutu’s als bedienden (vertaald: Abahutu) zich met een zeer flexibele geest voegden naar wat werd gevraagd. Vanaf 1946 werd het gebied voorbereid op zelfstandigheid, wat het daarvoor dus altijd stellig had gehad, maar nu met hulp van Ganwa en Tutsi’s. Zij werden de top van de hiërarchische ladder en kregen de privileges. Het is interessant om te weten ho e de beide kolonisatoren de Burundese samenleving beschreven. Meer dan binnen de samenleving het geval was geweest werden de verhouding als ‘natuurlijk’ en symbolisch gezien en karakterologisch vertaald. In de koloniale literatuur over Afrika komen dergelijke verklaringen wel vaker voor, maar wat betreft het toenmalige Ruanda-Urundi overtrof dit alles, het was veel sterker. Als bewijs voor dit laatste wordt genoemd dat er relatief veel literatuur bestaat over de hegemonie en sociale hiërarchie in Burundi. De machtsverdeling werd gebaseerd op uiterlijke kenmerken, waarbij Tutsi’s vanwege hun uitstraling werden benoemd als wel erg gelijkend op de noorderlingen.

Hoewel de diverse theoretische benaderingen en beslissingen achteraf zijn aangevochten door onderzoekers, hebben zij wel het leven bepaald van de hedendaagse bevolkingsgroepen van Burundi. De wijze waarop het latere geweld onder de bevolking in de media is verwoord, is ook afgeleid geweest van de diverse aannames. Nog altijd speelt dit een rol en het lijkt erop dat met name de CNDD-FDD hier nu een mediabeleid op heeft gezet, waarbij het beleid van de kolonisatoren wordt uitvergroot en als Hamitisch wordt betiteld en afgewezen. (‘Bahutu, Batutsi et Batwa n’ont jamais connu de guerres entre eux pendant la période précoloniale et coloniale. Le fléau de clivages ethniques qui ravage le Burundi, le Rwanda et l’est du Congo Démocratique ne s’est manifesté pour la première fois qu’en 1959 au Rwanda.’) Lemarchand legt uit hoe een complex hiërarchisch evenwicht tijdens of door de kolonisatie is vertaald naar een simplistisch etnisch antagonisme, waarin de onderverdeling in groepen Tutsi’s ineens minder belangrijk was geworden. De pre-koloniaal bestaande lagen in de samenleving werden gereduceerd tot de eenvoudige etnische verdeling in Tutsi’s, Hutu’s en Twa. Daarbij werden morele en fysieke kenmerken als onderscheid gebruikt, die voorheen niet van belang waren geweest. De koloniale blik en fantasie was vooral gefocust op de Tutsi’s. ‘De Tutsi lijkt meer op een blanke dan op een neger; hij lijkt een Europeaan onder een zwarte huid’, schreef een pater. De voorouders van de Tutsi’s moesten volgens de kolonisatoren wel uit het oude Egypte zijn gekomen, en vergelijkingen werden gemaakt met portretten van Ramses II. Meyer schreef: ‘De Tutsi zegt nooit wat hij denkt; je moet het raden. Liegen doen ze niet alleen tegen vreemden maar het is een diepgewortelde gewoonte. Hij vindt zichzelf een intelligent en politiek genie. Macht hebben en van het leven genieten zonder iets te hoeven doen is een symbool van Tutsi-wijsheid en dat pakt hij schrander en zonder scrupules aan.’ Over Hutu’s schreef hij: ‘Zij zijn zoveel eeuwen geterroriseerd dat ze zich gedragen en denken als slaven, maar nog net niet zo erg als de Banyarwanda onder de Hamitische heersers.’ Hutu’s waren ‘gewoon negers’. Over de Twa werd als nog minder geschreven: ‘Halve apen’. De Swaan schreef dat het heel goed mogelijk is dat sommige ‘Tuutsi’ er erg ‘Tuutsi’ uitzien, en dat ze helemaal niet op een ‘Hutu’ lijken, zonder dat deze algemene herkenning noodzakelijk impliceert dat er sprake is van een genetisch onderscheid. De tamelijk uiteenlopende ‘Tuutsi’ types (en de ‘Hutu’-types net zo) kunnen heel wel het resultaat zijn van sociaal overgedragen verschillen in voeding en socialisatie, versterkt door selectie in de partnerkeuze, met als eindresultaat een kleine, net zichtbare differentiatie naar somatisch type. Dit zou dan verklaren dat de lokale bevolking soms heel goed een ‘Tuutsi’ kan onderscheiden, en dus ook een ‘Hutu’, maar dat ze het ook vaak niet weten of zich vergissen. ‘Daarmee is een opvallende paradox in de propaganda van de ‘Hutu’-macht verklaard: enerzijds wordt gezegd dat de ‘Tuutsi’ sterk verschillen van de ‘Hutu’, ook in hun voorkomen, en wel door genetische overerving, maar anderzijds worden die ‘Tuutsi’ er ook telkens weer van beschuldigd dat ze op slinkse wijze proberen door te gaan voor ‘Hutu’ en daar maar al te vaak in slagen. Waar dit thema zo centraal staat in het socio-emotionele werk van de ‘Hutu’-propaganda, is het noodzakelijk om in deze materie een zorgvuldig beredeneerd agnostisch standpunt te kiezen, dat hier typografisch wordt weergegeven door het consequent gebruik van aanhalingstekens rond het begrippenpaar ‘Tuutsi’/’Hutu’.’

Burundi kwam weer los van Rwanda en werd onafhankelijk in 1962. In 1966 werd het koninkrijk omver geworpen. Michel Micombere was president van de eerste republiek, wat hem door de CNDD-FDD wordt kwalijk genomen. Het belangrijke symbool van het koninkrijk was teniet gedaan en daarmee werd getornd aan de identiteit van de Hutu’s die mogelijk van afkomst Ganwa waren. In 1976 werd Micombere zonder bloedvergieten afgezet door zijn neef generaal Bagaza, die in 1987 werd afgezet door Pierre Buyoya. Alle drie waren zij Tutsi-Hima. Vanuit de CNDD-FDD wordt gesteld dat Burundesen van de jongere generatie tegenwoordig door de ingreep van de Belgen niet eens weten of ze afstammen van een relevante dynastie, zoals de Ganwa, of niet. De Ganwa hebben met hun verschillende afstammingslijnen bij de onafhankelijkheid een grote rol gespeeld en een van deze lijnen werd aangemerkt als ‘de moordenaars van prins Rwagasore’, die van een andere lijn was. Micombero was geen Ganwa maar een Hima en het verloren gaan van relevante afstammingslijnen werd hem verweten. Het in de actualiteit veroordelen van Micombero door de CNDD-FDD en de verwijzing naar de dynastieën kan een toenadering zijn naar Rwagasore, de held van de onafhankelijkheid, die vaak naast Ndadaye wordt geëerd als held van de geschiedenis. Dat Micombero niet geliefd is bij de CNDD-FDD en vele anderen is hoe dan ook bekend. In de machtsstrijd ten tijde van de onafhankelijkheid trokken Tutsi’s en Ganwa als een eenheid op, tegen een oppositie van Hutu’s. Twa gingen er pragmatisch mee om, maar verbonden zich later met Hutu’s. Ondertussen begon in Rwanda de onafhankelijkheid met een revolutie van Hutu’s, een Tutsi-tegenaanval en de massamoord op voornamelijk Tutsi’s. Veel Tutsi’s werden uit Rwanda verdreven, onder ander naar Burundi, maar ook naar toenmalig Zaire (DR Congo), Tanzania en Oeganda. Voor hun vluchten werden vroegere handelsroutes gebruikt. Lemarchand beschrijft in 1970 al hoe gewelddadig het er in Rwanda aan toe ging en hoe in Burundi een raciaal conflict was gezaaid dat net zo vernietigend kon worden (en zou worden). In 1992 suggereerde hij dat de revolutie in Rwanda van doorslaggevende betekenis was geweest in het verharden van de verdeeldheid tussen Huti’s en Tutsi’s in Burundi. Lemarchand en Martin zijn duidelijk dat het niet om een gewoon Afrikaans tribaal probleem gaat, maar dat de tegenstelling tussen de twee groepen het enige was dat er in de verdeling van macht nog toe deed, zonder dat andere sociale verschillen nog echt telden. In de tien jaar na de onafhankelijkheid hebben de Hutu’s de Tutsi-suprematie uitgedaagd, wat leidde tot zuiveringen in 1965, 1968 en 1969 van duizenden Hutu’s. Weinstein schreef: in 1965 wilden de Hutu’s een eind maken aan het ‘mwamidom’, maar ze faalden en Tutsi’s breidden hun macht over de regering en hun repressieve mechanismen uit. Legerleider Michel Micombero leidde een aanval op Hutu-leiders en -bevolking. De meeste Hutu-intellectuelen werden gedood. Hutu’s vluchtten het land uit. Daarna was er in 1972 een gebeurtenis, beschreven door Weinstein. In maart 1972 bezocht een delegatie van Burundese beveiligers en legerleiders Tanzania, om de bewaking van Hutu-vluchtelingen daar te organiseren. Die vluchtelingen woonden daar al sinds de zestiger jaren. In diezelfde maand werd de vroegere koning Ntare V gearresteerd in Burundi in Bujumbura op beschuldiging van een invasie met blanke huurlingen. De onverwachte terugkeer van Ntare V, die in 1966 door Micombere was afgezet, leidde tot gevechten die werden aangezet door Hutu’s in het zuiden van Burundi, maar binnen een enkele week waren het leger en de overheid nagenoeg gezuiverd van Hutu’s. Bijna alle hoog opgeleide en sociaal relevante Hutu’s werden gedood. Medio april 1972 werden er Hutu’s aangehouden in de regio Nyanza-Lac in zuid-west Burundi. Leraren uit die regio vluchtten alsnog naar Tanzania. Het leiderschap in de vluchtelingenkampen werd gevoerd door gekozen vertegenwoordigers op hoger en lager niveau (het lage niveau bestond uit straten en blokken). Ook werd daarnaast het traditionele systeem van bashingantahe, een raad van wijzen, met religieuze en andere prominente leiders, weer ingevoerd. Omdat volgens de UNHCR in die tijd de Burundese vluchtelingen niet veilig naar Burundi konden terugkeren, maar de Tanzaniaanse overheid er niet voor voelde om de vluchtelingen zich definitief te laten vestigen in Tanzania, werd hervestiging van een groep Burundesen in een derde land zoals de VS overwogen. Hoewel een vredesaccoord in 2000 aan 300.000 Burundesen de mogelijkheid bood om uit kampen uit omringende landen terug te keren naar Burundi in de jaren daarna, wilden of konden vluchtelingen uit 1972 niet repatriëren. Sommigen woonden al zo lang elders dat ze gewoontes van hun gastland hadden overgenomen, waardoor ze sterk afweken van andere Burundesen. En de vluchtelingen in Tanzania hadden bovendien een ander stigma, want een aantal van hen had in Tanzania een radicale oppositiepartij gevormd, die zich tegen het vredesakkoord verzette. Algemeen werd en wordt in Burundi aangenomen dat alle vluchtelingen in Tanzania zich bij deze oppositie hadden gevoegd. Een derde lastig punt voor terugkeer was dat zij geen landbouwgrond meer zouden hebben.

In de traditionele samenleving van Burundi speelden de bashingantahe als notabelen een belangrijke rol. Zij bemiddelden bij problemen en konden beslissingen nemen. Zij klopten met een stok op de grond om het belang van hun woorden aan te geven. Gerespecteerde mensen werden uitgenodigd om lid te worden van deze groep notabelen. De bashingantahe (enkelvoud mushingantahe) zouden volgens de legende stammen uit de tijd van koning Ntare I, de oprichter van de dynastie, die uit toenmalig Ruanda zou zijn gekomen. Andere bronnen geven aan dat Ntare I uit het zuidoosten (Buha, een regio in Tanzania) kwam. (Tijdens de kolonisatie dreigden de Belgen hun positie enige tijd kwijt te raken toen vanuit Burundi een handelslijn met Buha werd opgezet, KzG.) Bij zijn benoeming krijgt een mushingantahe een stok met de woorden ‘Ontvang de stok die Ntare Rushatsi aan je vader en je grootvader gaf.’ Zowel mannelijke Hutu’s als Tutsi’s konden mushingantahe worden, maar Twa en vrouwen niet. Bashingantahe speelden een rol van het laagste (heuvel) tot het hoogste (hof) niveau, maar tijdens de kolonisatie werd hun status verlaagd tot de verlengde arm van de kolonisator op uitvoerend lokaal niveau. Over religieuze vraagstukken mochten ze niet meer beslissen. Het koningschap is een van de laatste verbindingen van Burundi met het verleden geweest, maar in 1966 hield de monarchie op te bestaan. Velen geloven ook nu nog in de culturele rol van deze notabelen binnen Burundi, maar zij zijn door de politiek grotendeels monddood gemaakt, omdat ze een niet verkozen structuur vormen. Eerst werden ze gezien als uitvoerend orgaan van UPRONA, later werden ze door de CNDD-FDD overruled. Opmerkelijk is dat er nu soms wordt gesproken over de dynastie van de republiek.

Het verbaast ons dat Tobolka in zijn beschouwing over de wijze waarop politiek werkt in Burundi (zie Nieuws op deze site van 30 mei 2015 en 31 mei 2015) wel aandacht besteedt aan de sociale interacties binnen en buiten politieke partijen, maar niet expliciet de relatie met vroegere dynastieën of de mythische historie aanhaalt. Hij beperkt zich bijvoorbeeld bij de CNDD-FDD tot de uitleg over het handhaven van gevestigde macht en bij oppositiegroepen tot een gedachte over ‘sociale netwerken’. Een andere opmerkelijkheid is dat Chrétien de verhalen over dynastieën en etnische aspecten juist stellig in verband brengt met de genocide en politiek van de laatste decennia, maar in het midden laat of de verhalen waar zijn.

De vluchtelingenkampen in Tanzania zijn uiteindelijk na veertig jaar gesloten in 2012. Het is treurig dat zij door de jongste geschiedenis in 2015 moesten worden heropend. Alleen aangeven dat dit met mensenrechten te maken heeft lijkt binnen de context van Burundi onvoldoende.

Verantwoording:
De informatie die is gebruikt voor dit bericht van Kennis zonder Grenzen is verkregen van openbare media en van bekenden uit Burundi, Rwanda, Congo, België en Nederland.