Opinie

30 juli 2015

President Obama heeft gisteren tegenover de AU aangegeven dat een derde presidentsperiode, die veel Afrikaanse presidenten willen, niet goed is. Hij benoemt het als louter macht, terwijl zij al rijk genoeg zijn. Hij hekelde in feite de ongewenste machtsverhoudingen. Ondanks deze verklaring laat het uiteindelijke standpunt van de VS tegenover Burundi nog op zich wachten. Hoe kan de economie verbeteren? Hoe kunnen voedseltekort en ziektes worden bestreden?

Op 18 december 2004 schreef Arjen van der Ziel in Trouw een opniniestuk, dat we hieronder geheel overnemen:

‘Afrika is, economisch gezien, een mislukking. Terwijl een groeiend deel van de rest van de wereld de afgelopen decennia de weg vond naar meer welvaart, nam Afrika’s aandeel in de wereldhandel gestaag af. Het is het enige continent dat de laatste dertig jaar armer is geworden.
Afrikaanse leiders en intellectuelen geven vaak de buitenwereld de schuld. Afrika lijdt volgens hen nog altijd onder de erfenis van slavenhandel en kolonialisme. De rijke, geïndustrialiseerde landen zouden Afrika bovendien nog steeds arm houden door de eigen landbouwproducten te subsidiëren en hoge tariefmuren op te werpen tegen Afrikaanse producten, zodat die nauwelijks toegang hebben tot hun markten.
Dit is grotendeels onzin. De slavernij bestond reeds in Afrika toen de eerste Europeanen arriveerden en is al in de 19de eeuw afgeschaft. Het is niet realistisch om Afrika’s huidige armoede daaraan te wijten. Natuurlijk heeft de koloniale tijd littekens achtergelaten. Maar zij heeft ook goede dingen gebracht, zoals wegen, klinieken en een rechtssysteem.
Vergelijk Afrika’s falen eens met het succes van Zuid-Korea. Korea werd in de eerste helft van de twintigste eeuw op hardvochtige, koloniale wijze overheerst door de Japanners. Vervolgens werd het land na de Tweede Wereldoorlog verwoest door oorlog. Toch groeide Zuid-Korea de afgelopen decennia uit tot een welvarende natie.
Ook de ‘oneerlijke’ internationale handelsverhoudingen worden veel te makkelijk aangewezen als bron van de problemen. Ja, de wereldhandel moet vrijer worden. De wereld zou daar wel bij varen. Maar de Aziatische ‘tijgers’ hebben hun succes de afgelopen decennia bereikt onder dezelfde omstandigheden als die nu voor Afrika gelden.
Wat is er mis met Afrika? Twee prominente journalisten, Stephen Smith en Robert Guest, hebben daar ieder een interessant boek over gepubliceerd.
Stephen Smith is Afrika-redacteur van de Franse krant Le Monde. Hij heeft met Négrologie; Pourquoi l’Afrique meurt een boos pamflet geschreven. Het moet volgens Smith maar eens afgelopen zijn met het geforceerde optimisme van de ‘vrienden’ van Afrika. ‘Moeten we blijven liegen?’, vraagt hij kwaad-retorisch. Robert Guest is Afrika-redacteur van het Britse weekblad The Economist. Zijn The Shackled Continent; Africa’s Past, Present and Future is onderkoelder van toon. Maar zijn constateringen komen daardoor des te harder aan.
Zo legt Guest uit dat landen in principe op dezelfde wijze rijkdom verwerven als personen: door dingen te maken die andere mensen willen kopen of diensten te verrichten waarvoor anderen willen betalen. Afrika’s probleem is dat het zeer onproductief is. Het continent exporteert wel olie, delfstoffen en landbouwproducten, maar voegt nauwelijks waarde aan die goederen toe. De arbeidsproductiviteit ligt extreem laag.
Smith en Guest wijten deze deprimerende onproductiviteit voor een groot deel aan de autocratische, uitzuigerige machtsverhoudingen in Afrika. De machthebbers op het continent gebruiken hun positie vaak vooral om de staatskas te plunderen en burgers uit te knijpen. De buit delen ze met familieleden en stamgenoten. Als een burger erin slaagt welvaart te verwerven, proberen overheidsfunctionarissen hem zijn rijkdom afhandig te maken. Talent en innovatie worden niet beloond maar afgestraft. Recht is ondergeschikt aan macht.
Beide schrijvers vergelijken het Afrika van nu met Europa in de feodale periode. De Europese Middeleeuwen worden in die vergelijking beschreven als een lange, donkere periode van economische en technologische stilstand. De lokale krijgsheren die toen het leven van veel Europeanen zuur maakten, deden dat met ‘onnadenkende wreedheid’, schrijft Guest. ‘Het zou nooit in een 14de-eeuwse Engelse koning zijn opgekomen dat hij publiek geld níet naar believen kon besteden.’ En zo denken de leiders in Afrika nu ook, zo luidt de boodschap.
Veel Afrikanen hebben, de aanwezige pc’s en mobiele telefoons ten spijt, nog altijd een pre-moderne, statische kijk op economie. De nadruk ligt meer op consumptie en verdeling van middelen dan op uitbreiding van productie en vernieuwing. Toen de eerste blanken arriveerden hadden de Afrikanen zelfs het wiel nog niet uitgevonden, evenmin als de katrol of de ploeg, merkt Smith op. Ze gebruikten ook nog geen dieren voor aandrijving. Nog steeds zijn de Afrikanen, volgens de Afrika-expert van Le Monde, sloom met het invoeren van irrigatie. Het zijn pijnlijke constateringen. Maar er valt, eerlijk gezegd, weinig op af te dingen.
Zelfs Zuid-Afrika, sinds het einde van de blanke overheersing voor velen in Afrika een baken van hoop, komt uit beide boeken niet onverdeeld gunstig naar voren. Guest noteert dat Zuid-Afrika’s rijkste zwarte zakenmensen hun welvaart, naar klassiek Afrikaans model, vooral hebben verworven dankzij connecties met de regeringspartij ANC. ‘Op deze manier worden weinig nieuwe fabrieken gebouwd en weinig banen gecreëerd’, schijft hij. ‘Wat ontbreekt is een breder begrip dat welvaart iets is wat je moet creëren.’
Komt het ooit nog goed? Smith is erg pessimistisch. Volgens hem zijn de Afrikanen collectief ‘zelfmoord’ aan het plegen. Afrika is een ‘graftombe’. Guest is ingetogener en positiever. De Brit stelt vast dat de meeste Afrikaanse landen nog niet de goede kant op gaan. Hij waarschuwt ertegen te veel te verwachten van ontwikkelingshulp. Landen worden volgens hem welvarend op eigen kracht, buitenlandse assistentie kan ‘alleen in de marge’ helpen. Toch is Guest ervan overtuigd dat Afrika ‘op de lange duur’ welvarend zal worden, net zoals dat in andere delen van de wereld gebeurde na een ‘pijnlijk’ proces van modernisering. ‘Elk land kan de overgang maken van armoede naar welstand.”

We willen het artikel van ruim tien jaar geleden niet diepgaand bespreken, al zou er nog wel iets toe te voegen zijn over de afgelopen tien jaar en de rol van andere continenten. We beperken ons tot de motiverende constatering dat wat we met onze stichting doen goed is: Kennis zonder Grenzen staat voor – in principe kleinschalige – kennisoverdracht aan individuele burgers of aan kleine collectieven in Burundi, die hun productiviteit met die kennis willen verhogen. Dat geeft meer inkomen, meer kans op goed eten, meer kans op een goede gezondheid door de inkomsten zinvol te besteden zoals bij het zeepproject zal gaan gebeuren. Met onze activiteiten steunen we niet het regime, wel de mensen die bottom-up kunnen laten zien waar hun inspanningen toe leiden. Met het viskweekproject, dat we tijdelijk hadden gestopt, gaan we weer verder. We hebben contact met de uitvoerders, die blij zijn dat ze nu weer aan de slag kunnen. Met de koeien Bertha en Rosa en het kalf gaat het goed, ze geven melk en mest waar in Kamenge, Bujumbura, goed gebruik van wordt gemaakt.

Verantwoording:
De informatie die is gebruikt voor dit bericht van Kennis zonder Grenzen is verkregen van openbare media en van bekenden uit Burundi.