3 april 2016
De zes landen die samen de OAG (Oost-Afrikaanse Gemeenschap) vormen (Zuid-Soedan mag zich na jaren van onderhandelingen vanaf 15 april a.s. ook officieel lid van de OAG noemen), hebben besloten om de import van tweedehands kleding te gaan verbieden. Vanaf 2019 gaan Kenia, Oeganda, Rwanda, Tanzania, Burundi en Zuid-Soedan de import van gebruikte kleding en schoenen tegen, met de intentie hun eigen textielindustrie weer te gaan opbouwen. Hiermee volgen zij het voorbeeld van onder andere Zuid-Afrika, Zimbabwe, Nigeria en Ethiopië. Veel tweedehands kleding wordt vanuit Nederland verkocht, het zou gaan om jaarlijks meer dan tweehonderd miljoen euro. Aan het nut van de maatregel, die banen moet opleveren in de Afrikaanse landen, wordt door sommigen getwijfeld. In de eerste plaats omdat de Afrikaanse handelaren hun banen juist zullen kwijtraken en het niet duidelijk is hoeveel banen de textielindustrie hiervoor in de plaats zal realiseren. In de tweede plaats omdat het nog maar de vraag zou zijn of een nieuwe start van de textielindustrie in de regio echt gaat worden gerealiseerd. Dat in het verleden de staatssteun voor de textielindustrie in veel Afrikaanse landen werd stopgezet, was het gevolg van maatregelen van het IMF. Het zou een stap vooruit zijn als eigen industrieën weer op gang komen, zoals het Burundese Tarina (ex-Cotebu), zie het Nieuws op deze site van 20 juni 2014. Bovendien gaat het om een besluit vanuit de erkende OAG zelf, dus de tegengeluiden van de handelaren in Nederland zouden er niet zoveel toe moeten doen. Zij verhandelen weggegooide kleding. Het gaat hier niet om hun banengarantie of de schending van een verdrag.
Handelsverdragen van Nederland met het buitenland zijn in feite een Europese aangelegenheid, en er is momenteel in Nederland veel over te doen: over drie dagen vindt het referendum over het verdrag met de Oekraïne plaats en ook TTIP tussen de VN en de EU zal de nodige aandacht krijgen. Voor de ACS-landen, de 79 voormalige koloniën van Frankrijk, Italië, Portugal, Spanje, België en het Verenigd Koninkrijk, werd in 1975 bij de Conventie van Lomé afgesproken dat zij vrije markttoegang kregen tot de EU. In 2000 werden vervolgens bij de Conventie van Cotonou nieuwe afspraken gemaakt tussen de EU en de ACS-landen over handel en hulp. Van deze ACS-landen liggen er 48 in Afrika. Omdat deze nieuwe afspraken in strijd zouden zijn met internationale handelsverdragen en er sprake was van een onredelijke voorkeursbehandeling van ACS-landen ten opzichte van bijvoorbeeld Brazilië en Ecuador, was vanaf 2008 door de Wereldhandelsorganisatie (WTO) een herziening van dit beleid voorzien. De ACS-landen werden ingedeeld in zes regionale groepen, waaronder Oost-Afrika. In 2009 moesten er EPA’s (Economische Partnerschapsakkoorden) van de EU met elke regionale groep tot stand komen. Het gaat hier om asymmetrische verdragen, die export voor ACS-landen moet vergemakkelijken. Pas op 16 oktober 2014 is een akkoord bereikt tussen de EU en de EAG over een Economisch Partnerschapsakkoord. Hiermee is een einde gekomen aan jarenlange onderhandelingen. Dit was toch nog aanzienlijk sneller dan met een aantal andere regionale groepen van ACS-landen.
Voor de betreffende Afrikaanse landen is de concurrentie met Europese producten een probleem. Verder worden diensten buiten de akkoorden houden, omdat anders in deze Afrikaanse landen banen, bedrijven, overheidsinkomsten en openbare diensten op het spel zouden komen te staan. Voordat het EPA met de OAG werd ondertekend, presenteerde Minister Ploumen op 16 mei 2013 een Kamerbrief over de EPA‘s. Hierin benoemt zij intenties, zoals:
(….) Met de regio Oost-Afrika (Kenia, Oeganda, Tanzania, Rwanda en Burundi is in 2007 wel overeenstemming bereikt over een interim-EPA, maar deze landen hebben aangegeven dit interim-EPA – in afwachting van de totstandkoming van het volledige EPA – niet te zullen ondertekenen. In de onderhandelingen met deze regio over een volledig EPA wordt op zich goede vooruitgang geboekt en neemt het aantal openstaande punten gestaag af. (….) Na 1975 hebben 78 ACS-landen als voormalig koloniën van EU-lidstaten een speciale handelsrelatie met de EU gekregen. (….) Tot 2000 gold dat deze landen volledige toegang kregen tot de EU markt zonder zelf verplicht te zijn hun eigen markten te openen voor EU producten. Deze ‘positieve discriminatie’ was echter in strijd met het WTO-recht: alle landen met dezelfde ontwikkelingsstatus behoren dezelfde markttoegang te krijgen. Deze voorkeursbehandeling van ACS-landen riep steeds meer weerstand op bij andere ontwikkelingslanden, die zich beriepen op het principe van non-discriminatie. De EU werd hiervoor door meerdere WTO-panels veroordeeld. Ook binnen de EU nam in de jaren negentig de twijfel toe over de wenselijkheid van het continueren van de eenzijdige handelspreferenties aan de ACS-landen. De ACS-landen zouden zich door deze preferenties te zeer op de EU als afzetmarkt concentreren. Anderzijds zou ook de relatie van de EU met de veelal rijkere ontwikkelingslanden in het Caribische gebied (waar enkele landen een hoger per capita inkomen kennen dan sommige EU lidstaten) dringend toe zijn aan modernisering en verbreding van de economische samenwerking. (….) Tegen deze achtergrond kwamen de EU en de ACS-landen in 2000 in Cotonou overeen dat de traditionele eenzijdige handelspreferenties vóór 2008 vervangen zouden worden door speciale tweezijdige WTO-conforme vrijhandelsakkoorden, ofwel Economische Partnerschapsakkoorden (EPA’s). (….) De ontwikkelingsdoelstelling staat centraal in deze handelsakkoorden. De verdere integratie van de ACS-landen in de wereldeconomie en de productieketen zijn tevens een belangrijk uitgangspunt. Ten slotte is de versterking van de regionale integratie van de ACS-landen, voortbouwend op bestaande structuren, een belangrijk onderdeel van het EPA concept.
Een EPA is geen klassiek vrijhandelsakkoord, omdat binnen de grenzen van WTO-compatibiliteit op veel punten nadrukkelijk rekening wordt gehouden met het ontwikkelingsniveau van de ACS-landen. Dit komt met name tot uitdrukking in de reikwijdte en het tempo van de onderlinge liberalisering van goederen en diensten, maar ook in vele andere bepalingen bijvoorbeeld ten aanzien van vrijwaring, infant industries en voedselzekerheid. Ook afspraken over hulp bij het versterken van de handelscapaciteit (Aid for Trade) geven de EPA’s een speciale ontwikkelingsdimensie. (….) Gezien de nieuwe ontstane situatie hecht ik groot belang aan het afsluiten van EPA’s. Het is aan de ACS-landen om de keuze te maken of zij hun eigen markt willen blijven beschermen tegen concurrentie vanuit Europa door gebruik te maken van het APS (Algemeen Preferentieel Systeem voor belastingreductie voor ontwikkelingslanden, KzG) met eenzijdige, goede toegang tot de EU-markt. Willen zij echter volledig tariefvrije toegang tot de EU-markt behouden dan geldt voor de niet-MOLs (MOL staat voor Minder Ontwikkelde Landen, KzG) dat zij een tweezijdig vrijhandelsakkoord aan moeten gaan, uiteraard wel op gunstige voorwaarden: De ACS-landen hoeven hun markt niet volledig te openen en kunnen dus gevoelige sectoren blijven beschermen; vrijwaringsmaatregelen zijn mogelijk, bijvoorbeeld als lokale en regionale voedselzekerheid in gevaar komt; voor andere (niet gevoelige) sectoren gelden ruime overgangstermijnen.
Ook binnen de EPA’s is het mogelijk om asymmetrische afspraken te maken tussen de landen met een verschillend ontwikkelingsniveau. MOLs (zoals Burundi, KzG) krijgen binnen de EPA’s meer beleidsruimte dan niet-MOLs. (….)
Net als in Azië zou een herstart van de textielindustrie ook de aanzet kunnen zijn tot verdere industrieën, wat economische voordelen zou bieden. Dit staat los van het gegeven dat er in sommige landen nog altijd illegale kledingverkoop plaatsvindt, zoals in Nigeria en Ethiopië. Het besluit van de OAG is in ieder geval tijdig genomen, zodat er voorbereidingen voor de industrie- en handelssectoren mogelijk zijn. Het argument dat het milieuvriendelijker is om oude kleding nog verder af te laten dragen kan met gemak worden omgebogen, als de oorspronkelijke eigenaren in het Westen ze zelf afdragen en Afrikanen hun eigen nieuwe kleren laten maken. Een ander tegenargument is dat de Afrikaanse landen beter een hogere importheffing zouden kunnen vaststellen voor de tweedehands kleding. Maar bij eerdere onderhandelingen met Oost-Afrika heeft de EU juist gesteld dat importheffingen op goederen uit de EU in de toekomst moeten worden teruggebracht (gesproken werd over 2033). Het zal voor de landen van de OAG niet eenvoudig zijn om te concurreren met de goedkope artikelen uit Azië. Er wordt weleens gesteld, dat Azië, ruim aanwezig in allerlei sectoren in Afrika, de Afrikaanse economie hiermee kapotmaakt. Ongetwijfeld zal ook hier weer beleid op moeten worden gemaakt voor de verdere toekomst.
Verantwoording:
De informatie die is gebruikt voor dit bericht van Kennis zonder Grenzen is verkregen van openbare media en van bekenden uit Ethiopië. De foto is overgenomen van Trust.org.