26 mei 2015
Volgens kenners kan een staatsgreep alleen slagen als deze correspondeert met de wens van de meerderheid van het volk en als deze past binnen de internationale context. ‘Een land met een traditie van staatsgrepen’, kopt vandaag de Burundese online krant Iwacu. In 1966 wierp generaal Micombero de laatste koning, Ntare V, van de troon, en werd Burundi een republiek met hem als president. In 1976 werd Micombero verbannen na een staatsgreep door kolonel Bagaza. In 1987 werd Bagaza verdreven door majoor Buyoya. Drie staatsgrepen op rij. Nadat in 1992 bij wet het meerpartijenstelsel werd ingevoerd en er als democratisch benoemde verkiezingen werden gehouden, werd Melchior Ndadaye, een Hutu, in 1993 president. Drie maanden later werd deze als charismatisch ervaren leider, die voor de vereniging van het land stond, bij een aanslag gedood. Dat was op 21 oktober 1993. De bloedige burgeroorlog waarin eerst veel Hutu’s en later Tutsi’s werden vermoord heeft jaren geduurd, in het bijzonder omdat de genocide die op 7 april 1994 in Rwanda ontstond na de aanslag op het vliegtuig waarin de toenmalige presidenten van Rwanda en Burundi zaten (zij kwamen om), op Burundi oversloeg. Jaren later is de sterfdag van Ndadaye als nationale feestdag ingevoerd in Burundi, om mensen eraan te herinneren dat ze één moesten zijn en blijven. En tot vorig jaar vierden zij dat ze één konden zijn, Hutu’s en Tutsi’s.
Als we verder terug gaan in de geschiedenis van de twintigste eeuw zien we een soortgelijke gebeurtenis. Louis Rwagasore was een prins die leefde aan het eind van het koloniale tijdperk. Hij negeerde de wens van zijn vader, de koning, en begon een anti-koloniale beweging, de UPRONA (Union pour le Progrès National). Als Ganwa, gelieerd aan de Tutsi’s, trouwde hij met een vrouw die Hutu was en velen menen dat hij dit deed om de door de kolonisatoren uit elkaar gedreven etnische groepen te verbinden. Op het eerste UPRONA congres in 1960 eiste Rwagasore volledige onafhankelijkheid en riep de bevolking op tot het boycotten van Belgische winkels en het niet betalen van belasting aan de Belgen. Deze burgerlijke ongehoorzaamheid leverde hem huisarrest op. Toch won zijn partij in september 1961 overweldigend de eerste verkiezingen en kreeg hij mandaat om het land voor te bereiden op onafhankelijkheid. Twee weken later werd hij, 29 jaar oud, doodgeschoten in opdracht van een pro-Belgische partij (volgens sommige artikelen in opdracht van de Belgen). Hij maakte de onafhankelijkheid niet mee. Rivaliteiten tussen Hutu’s en Tutsi’s vlamden kort daarna op. Ook zijn sterfdag wordt jaarlijks herdacht, waarbij zijn streven naar onafhankelijkheid, nationalisme en verzoening tussen de etnische groepen wordt geroemd. Burundesen zagen deze herdenking als een opdracht aan zichzelf om samen verder te gaan.
Zowel Rwagasore als Ndadaye worden geëerd als volkshelden. Hun beider portretten hangen prominent in de stad, als ze niet recent zijn vernield. Het vieren van een sterfdag lijkt vreemd, maar Burundesen zagen het als een collectieve opdracht om te zorgen dat de dood van deze mannen, ondanks de verschillende burgeroorlogen die er het gevolg van waren, niet voor niets was geweest.
Inmiddels is animositeit tussen Hutu’s en Tutsi’s bij monde van de meeste Burundesen in Bujumbura geen item meer. Of iemand Hutu of Tutsi is wordt niet meer steeds bepaald door afkomst, want er zijn veel gemengde huwelijken en bovendien kan iemand zich inkopen in een bepaalde klasse. Zelfs een familienaam kan tegenwoordig zelf worden gekozen zodat connotaties kunnen worden vermeden. Uiterlijke kenmerken zeggen allang niets meer. De Belgen lieten o.a. de neusmaat in het paspoort opnemen om te weten met wie ze te maken hadden; dit is nu bij wet verboden.
Het woord ‘etnisch’ dekt de lading niet, het gaat eerder om sociale klasse of stand, waarbij de Hutu’s als landbouwers armer en veel groter in aantal waren (en in het binnenland nog steeds zijn) dan Tutsi’s die in het verleden rijkere veehouders waren. Voor de koloniale periode was er een bepaald evenwicht tussen deze standen, al werd er zeker gevochten, maar tijdens de kolonisatie werden de klassen uit elkaar gedreven en werden Tutsi’s op bevoorrechte posities gezet om de Europese machthebbers (eerst Duitsland, later België) te steunen. De drie fasen met genocide na de kolonisatie lijken daar indirect het gevolg van te zijn geweest, maar opmerkelijk is dat Burundesen zelf dit zelden duiden als gelieerd aan de kolonisatie. ‘Het waren niet de Europeanen die hebben gemoord’, zei iemand, ‘dat hebben we zelf gedaan’.
Verantwoording:
De informatie die is gebruikt voor dit bericht van Kennis zonder Grenzen is verkregen van openbare media en van bekenden uit Burundi.