Analyses

29 mei 2015

Een bekende stuurt foto’s en informatie over een nieuwe aanslag in de stad. Hij was er vlakbij maar is ongedeerd. Het aantal slachtoffers is onbekend en er is geen officiële berichtgeving te vinden. Hij meldt dat er al enkele dagen een aanslag werd verwacht, dat het al twee dagen redelijk rustig was maar dat er ’s nachts schoten te horen waren. Mensen denken volgens hem dat dit een actie is van de president die een reden wil hebben (onrust) om niet naar Dar es Salaam in Tanzania te gaan voor een bijeenkomst op 31 mei a.s.

Sommige mensen, in de hele wereld, denken dat voor Afrikaanse landen in ontwikkeling een tijdelijke dictatuur beter is dan democratie, als die dictatuur dan wel voor ontwikkeling zorgt. Wat dit betekent voor het handhaven van mensenrechten vertellen zij er niet bij. En wat te doen in geval een dictatuur niet leidt tot ontwikkeling…?

Er zijn verschillende analyses voorhanden over de situatie in Burundi. Peter Verlinden en Kris Berwouts zijn op dit punt gerenommeerde Belgen, van wie we enkele gedachten samenvatten.

Verlinden stelt dat het volk nog geen macht heeft. ‘De zogenoemde ‘volksopstand’ in enkele wijken van Bujumbura betekende niets in verhouding tot de échte machtsstrijd die zich afspeelt binnen de cenakels van leger en politiek. Dankzij de relatieve persvrijheid in Burundi (overigens een unicum in de regio, zeker in vergelijking met Rwanda) kregen de betogingen een grote bekendheid, ook wereldwijd. Dat gaf de foute indruk dat ‘het Burundese volk’ in opstand gekomen was tegen de beslissing van zijn president om voor een derde ambtstermijn van vijf jaar te willen gaan.’… Op de heuvels, waar 90% van de bevolking woont en Nkurunziza in 2010 ruim 80% van de stemmen haalde, bleef het bijzonder stil. ‘Dat betekent niet dat er in het binnenland geen ongenoegen leeft over het beleid van de afgelopen jaren en een eventuele derde ambtstermijn voor Nkurunziza. Ook daar voelen bepaalde regio’s en groepen zich onderbedeeld, heeft de bevolking weet van de corruptie binnen een kleine kliek rond de president die zich verrijkt met overheidsgeld. Maar er zijn ook vele anderen die het nu beter hebben dan enkele jaren geleden, die zich laten verleiden door de populistische manier waarop president Nkurunziza elke verbetering op de heuvels op zijn conto schrijft: het nieuwe schooltje, het herbouwde ziekenhuis, de verbeterde wegen … Zelfs al worden die relatieve prestaties doorgaans betaald met gekregen geld uit het buitenland’.
De macht berust bij het geld en bij de wapens, legt Verlinden uit. ‘De echte strijd om de opvolging van (…) Nkurunziza speelt zich niet af in de straten van Bujumbura, wel in de salons waar de échte machthebbers zich schuilhouden: de legertop en de toppolitici. De schijnbaar probleemloze verkiezingen van 2005 en 2010 (….) gaven de indruk dat het machtsblok rond de almachtige regeringspartij CNDD-FDD van de president één en ondeelbaar is. Niets is minder waar.’ Zoals bij elke machtspartij speelde zich achter de schermen al jarenlang een strijd af tussen verschillende groepen die uit waren op economische macht en verrijking, via de wegen van corruptie en machtsmisbruik. Tien jaar lang kreeg vooral één groep rond de president die kansen waardoor het ongenoegen bij anderen binnen de partij groeide. Die anderen keken uit naar de wissel van de macht, maar de hardnekkigheid waarmee Nkurunziza zijn kandidatuur afdwong betekende voor hen een zware tegenslag. De ‘volksopstand’ bood hen het rookgordijn om hun slag te slaan en het een ‘populaire coup’ te laten lijken. De staatsgreep is mislukt omdat de heersende machtsgroep sterker staat. De verdeeldheid binnen het militaire en politieke machtsblok is daarmee echter niet verdwenen.
Verlinden vervolgt met de stelling dat toeschouwers zelf voor hun onmacht kiezen, zelfs al hebben ze veel geld: het Westen stond erbij en keek ernaar. ‘Het lijkt erop, dat de diplomatie geen vat krijgt op wat er zich echt afspeelt in Burundi. Een formele veroordeling van de coup bleef uit, alsof de onwettige houding van de ene machtsgroep een al even onwettige ingreep van de andere rechtvaardigt. Ook voor de coupplegers een verwarrend signaal.’ Pas toen de coup meer en meer dreigde te mislukken sprak de Veiligheidsraad zich uit tégen deze ‘onwettige ingreep’.
‘Er zal meer nodig zijn in Burundi (en in de landen van de regio) om ooit de echte stem van het volk te horen: een versterkte burgerbeweging, een groter maatschappelijk en politiek bewustzijn tot diep in de heuvels, ook bij de allerarmsten die daar nu geen kans toe krijgen omdat ze dag en nacht bezig zijn om te werken aan het eigen overleven, politieke leiders vanaf het lokale niveau die blijven ijveren voor de belangen van het volk en niet die van de eigen elite, de eigen kliek, echt vrije media die niet meedraaien in het spel om de macht, maar wel een echte stem geven aan ‘de mensen’. Burundi heeft nog een lange weg te gaan.’

Ook Kris Berwouts stelt dat Burundi tot niet zo lang geleden het enige land in de regio was waar men er in geslaagd was om een post-conflictsituatie te creëren. ‘Rwanda was blijven steken in de ijzeren logica van winnaars en verliezers na de genocide van 1994, van echte verzoening was geen sprake. (…) Congo was sinds het beëindigen van de Eerste Afrikaanse Wereldoorlog in een permanente staat van low intensity conflict gesukkeld met regelmatige opflakkeringen van grootschalig geweld. Maar Burundi was anders’. Na een tragische burgeroorlog en een complex vredesproces was het land er tijdens de verkiezingen van 2005 in geslaagd over te schakelen naar een politieke constellatie waarin de Hutu’s, 85% van de bevolking, niet langer gediscrimineerd werden. ‘De nieuwe overheid ging al snel de autoritaire toer op. Maar dat lukte maar half. Ondanks de druk bleven pers en civiele maatschappij het voortouw nemen in een open debatcultuur. Het parlement moest zijn rol nog zoeken, maar het land had in elk geval een functionerend meerpartijenstelsel.’ … ‘Leger en gerecht leken niet langer instrumenten waarmee een minderheid haar privileges in stand hield ten nadele van de meerderheid. En wat het belangrijkste leek: na decennia van etnische polarisatie leek het onderscheid tussen Hutu en Tutsi niet langer het alles verklarend beginsel waartoe alle problemen van Burundi herleid konden worden. Uiteindelijk legde ook de laatst overgebleven rebellengroep de wapens neer, het FNL van Agathon Rwasa. De Hutu-rebellie had jarenlang samen met CNDD-FDD het Tutsi-bastion bestreden, maar die strijd was nu over. Iedereen wist nu dat de strijd om de macht zich in de toekomst tussen de Hutu-leiders zou afspelen, omdat hun meerderheid nu eenmaal de demografische realiteit was’. De wens tot dialoog is in 2015 zoals duidelijk is hierdoor onder veel te grote druk komen te staan.
Er was ‘een voortdurende worsteling tussen overheid, oppositie, pers en civiele maatschappij om de grenspalen van de vrijheid van meningsuiting steeds weer te verzetten. De jonge democratie bleef op de rails. CNDD-FDD voelde zich sterk en gelegitimeerd. Dat was ze ook: voor het eerst in de geschiedenis van het land had je een regime dat zijn machtsbasis had op het platteland. En Burundi is tot nader order één van de minst geürbaniseerde landen in de wereld.’ Nkurunziza ging de populistische toer op: hij zocht de bevolking op in alle hoeken en op alle heuvels van het land. Hij ‘incarneerde hoop voor de toekomst en leek zich verder vooral bezig te houden met bidden en voetbal.’ De voorzitter van de CNDD-FDD, Hussein Rajabu, leek de sterke man die de banen en het geld uitdeelde, maar hij werd in 2007 uitgeschakeld en in de gevangenis gezet.
In 2010 werden de tweede verkiezingen georganiseerd. De lokale verkiezingen werden een overweldigende zege voor de CNDD-FDD (64%), gevolgd door FNL (14%). Na de lokale verkiezingen besloten zes van de zeven kandidaten voor het presidentschap zich uit de race terug te trekken. Hun partijen beslisten ook om niet deel te nemen aan de parlementsverkiezingen. Ze beriepen zich daarvoor op massale fraude tijdens de lokale stembusgang. Lokale en internationale waarnemers hadden wel onregelmatigheden gesignaleerd, maar ze ontkenden dat er massale fraude was geweest. Nkurunziza haalde zijn tweede mandaat dus binnen als enige presidentskandidaat, en het CNDD-FDD haalde in parlementsverkiezingen zonder echte tegenstand een meerderheid die de partij op alle niveaus een ongebreidelde vrijheid gaf om haar wil op te leggen. De andere partijen die vertegenwoordigd waren in de instellingen waren allemaal op één of andere manier schatplichtig aan het CNDD-FDD. UPRONA, de partij van het vorige regime en die nog steeds geboekt staat als Tutsi-partij, kreeg ook belangrijke verantwoordelijkheden, omdat de grondwet nog steeds etnische quota garandeert voor de grootste Tutsi-partij. Ze leveren onder meer een vice-president maar konden geen tegengewicht bieden tegen het CNDD-FDD. Ze leken dat eerlijk gezegd ook niet echt van plan. De democratie die schijnbaar uit het vredesproces en de eerste verkiezingen geboren was, lag op apegapen en was feitelijk een nieuw eenpartijstelsel, maar dan zonder daar echt voor uit te komen. Het Burundese regime leek zich te spiegelen aan de Rwandese buren, ook al was het veel minder efficiënt georganiseerd.
Berwouts gaat verder over de in juli 2010 opgerichte Alliance de Démocrates pour le Changement (ADC-Ikibiri), het oppositie-platform, waarvan de leiders kort na de oprichting het land verlieten. De CNDD-FDD had via president en parlement vrij spel. ‘Als je de scores van de lokale verkiezingen extrapoleert, dan hadden de grootste oppositiepartijen een belangrijke fractie gehad in het parlement, en voor de belangrijkste dossiers en blokkeringsminderheid. Door hun vertrek pleegden ze een vluchtmisdrijf waardoor het parlement elke mogelijkheid om de handel en wandel van de overheid kritisch te bevragen verloor. Met de belangrijkste leiders van de oppositie in het buitenland werden pers en civiele maatschappij de enige watchdogs van het regime.’ De bevolking hield de adem in, in afwachting van nieuwe rebellie met nu Hutu’s en Tutsi’s zij aan zij, door de terugkerende oppositie, waarvan verschillende leiders een rebellenverleden hadden. Uiteindelijk kwam die gewapende groep er niet.
Na de verkiezingen van 2010 lukte het de CNDD-FDD een stuk beter om de andere partijen te verdelen. Met wat geld en druk was het niet zo moeilijk om binnen de andere partijen een splitsing te forceren door een zogenaamde loyale vleugel te creëren en die dan verder te erkennen of te coöpteren. De negatieve impact op de democratische ruimte en de vrije meningsuiting was duidelijk. Toch lag de eigenlijke strijd elders. Corruptie en nepotisme waren in alle lagen van het openbaar bestuur binnen gesijpeld. Rond lucratieve economische dossiers zoals het beheer van de haven of de bouw van een nieuwe centrale markt werden weinig transparante vennootschappen uitgebouwd, waarvan de touwtjes steeds doorliepen tot in het hart van de regeringspartij. De inmiddels autocratische bestuurders kregen weinig tegenstand van andere overheden of gewapende strijders. Het waren mensen als Pierre-Claver Mbonimpa uit de civiele maatschappij (mensenrechtenactivist, zie ook onze nieuwstekst van 26 juni 2014 / KzG) en journalist Bob Rugurika van de vrije radio RPA die uitgroeiden tot de iconen van de repressie. Beiden verdwenen voor langere tijd de gevangenis in, zoals te verwachten was. Hun detentie werd een strijdpunt voor zowel Burundesen als de internationale gemeenschap.
De verkiezingen van 2015, georganiseerd door een regime dat niet veel redenen had om zich zorgen te maken over winst, leken volgens Berwouts simpel. Het regime zou desnoods alle middelen inzetten om tegenstanders te neutraliseren en de bevolking te intimideren. Daarvoor heeft de CNDD-FDD een handig instrument, de jeugdliga Imbonerakure (‘Zij die ver zien’). Deze liga is betrokken bij het vermoorden, slaan, verkrachten en bedreigen van vermeende opposanten. Vooral in rurale gebieden hebben ze vrij spel. Ze worden aangestuurd door mensen binnen de partijtop, hoewel die dat natuurlijk altijd ontkent. De partij is geen monolithisch blok. Er zijn spanningsvelden tussen de harde militaire vleugel en de burgers in de partijtop waarvan wordt aangenomen dat ze meer open staan voor hervormingen en goed bestuur. En er is een concurrentie tussen de verschillende streken van het land. Er zijn tegengestelde zakenbelangen, enz. Maar niemand leek er belang bij te hebben dat die spanningen voor de verkiezingen tot uitbarsting zouden komen. ‘En toch. Als een donderslag bij heldere hemel ontsloeg Nkurunziza eind november vier van de mensen die tot dan toe beschouwd warden als steunpilaren van zijn regime, waaronder het hoofd van de veiligheidsdienst en de belangrijkste militaire raadgevers van de president. Niet lang nadien werd ook de nieuwe veiligheidschef de laan uit gestuurd. Hij had namelijk een rapport geschreven waarin hij stelde dat een derde mandaat voor Nkurunziza het land dreigde te destabiliseren. In de weken daarna leek de groep tegenstanders binnen de partij tegen een nieuw mandaat te groeien. Net als vele presidenten in de regio heeft Nkurunziza er een tweede en in principe laatste mandaat opzitten. En net als veel collega’s wil hij eigenlijk blijven.’

Na deze analyses van Verlinden en Berwouts lijkt het relevant om verder te kijken. Dat doen we morgen, aan de hand van een artikel van onderzoeker en buitenlandse waarnemer Radim Tobolka.

Inmiddels is bekend geworden dat de zittende leider van de FIFA is herkozen. Corruptie of niet.

Verantwoording:
De informatie die is gebruikt voor dit bericht van Kennis zonder Grenzen is verkregen van openbare media. De foto is gemaakt door een bekende uit Burundi.