Vechten of studeren

30 mei 2015

Hoewel de macht van regeringspartij CNDD-FDD erg groot lijkt, kijk je daar anders tegenaan als je beseft dat bij de gemeentelijke verkiezingen van 2010 in Bujumbura slechts 28% van de stemmen naar deze partij ging. De partij is de stad al kwijt. Het verschil met het binnenland is groot.

Om informatie van Radim Tobolka in te leiden, eerst een korte samenvatting van de situatie, overgenomen van BTI. Burundi kan historisch worden gekenmerkt door de diepe socio-politieke kloof tussen Hutu’s en Tutsi’s, die tijdens de kolonisatie is versterkt. Na de onafhankelijkheid in 1962 greep een kleine Tutsi elite binnen de partij UPRONA de leiding van de staat en van het leger. Om deze macht te handhaven werd het grootste deel van de nieuwe en opgeleide Hutu elite geëlimineerd. Alle postkoloniale regeringen richtten hun activiteiten in de eerste plaats op het bestendigen van hun machtspositie en niet op het nastreven van ontwikkeling en het dichten van de socio-politieke kloof. Waar dit toe leidde lezen we hieronder.

Radim Tobolka noemt zichzelf een sociale wetenschapper die over Afrikaanse politiek schrijft. Hij woont in Tsjechië. In januari 2014 verscheen zijn proefschrift Political Parties in Zambia, Burundi and Togo: Organization, Cohesion and Party-Voter Linkage, waarin hij politieke partijen beschouwt als strategisch handelende organisaties in een altijd unieke socio-politieke context en uitlegt dat de begrippen ‘cohesie’ en ‘partij-stemmer-relatie’ van belang zijn om partijen te begrijpen en te vergelijken. Politieke partijen in het Afrika ten zuiden van de Sahara hebben volgens hem gemeen dat zij opereren in een vijandige omgeving, veelal face-to-face een politiek gesprek voeren en werken zonder duidelijke ideologieontwikkeling.
We maken gebruik van zijn artikel Political parties in Burundi: identity and organisational cohesion, gepubliceerd in augustus 2014 en bijgesteld in september 2014. Hierin beschrijft hij het systeem van politieke partijen in Burundi zoals dat na 1990 is ontstaan. Tobolka beschrijft hoe in Burundi de CNDD-FDD al jarenlang de bevolking en andere partijen intimideert, en bepaald niet zachtzinnig. Hij benut voor de uitleg over de geschiedenis veel gegevens van Filip Reyntjens. De CNDD-FDD heeft het veiligheidsapparaat onder controle en oefent repressie uit op oppositiepartijen. Ondanks de vijandige politieke omgeving blijven verschillende oppositiepartijen als organisatie bestaan, omdat hun leden hecht zijn en hun kiesdistricten groot genoeg en verspreid over het land.

In 1962 werd Burundi als koninkrijk onafhankelijk. In 1966 werd het een republiek. Van 1965 tot 1993 hadden de Tutsi’s op alle gebieden de overmacht en werden Hutu’s uitgesloten van posities in o.a. het leger, de publieke sector en hogere opleidingen. Alleen de Tutsi-partij UPRONA was in feite toegestaan en deze zette het leger naar zijn hand. Vanaf 1961 waren er periodes met massaal geweld tussen Hutu’s en Tutsi’s, genocide en politieke aanslagen. In 1992 werd het meerpartijenstelsel officieel opnieuw ingevoerd. Hutu-partij FRODEBU versloeg bij verkiezingen als nieuwkomer de zittende macht en Ndadaye werd president, maar na de parlementsverkiezingen, waarin FRODEBU nog duidelijker overheerste tussen andere partijen, werd hij op 21 oktober 1993 vermoord. Hierna begon de grootste genocide in de regio, die ruim twaalf jaar zou duren. Het zeer complexe vredesproces nadien leidde met buitenlandse hulp tot het Arusha Akkoord van 2005 en een nieuwe grondwet. Hierin waren getalsmatige verhoudingen tussen Hutu’s en Tutsi’s vastgelegd in regering, parlement en kieslijsten van politieke partijen. Er zouden steeds twee vice-presidenten zijn, een van een vroegere Hutu-partij en een van een vroegere Tutsi-partij. Elke partij die minstens 5% van de stemmen kreeg zou een vertegenwoordiger in de regering krijgen en het aantal ministersposten werd hierop afgestemd. Alleen de bewapende Hutu-partij PALIPEHUTU-FNL tekende pas jaren later (in 2008) een vredesverklaring en deed niet mee aan de verkiezingen in 2005. De bewapende Hutu-partij CNDD-FDD won zowel de lokale als de nationale verkiezingen, waarin Hutu-partijen vooral elkaar bestreden. FRODEBU werd bij afwezigheid van PALIPEHUTU-FNL tweede en UPRONA werd derde. Nkurunziza van CNDD-FDD werd indirect gekozen tot president.
Ook in 2010 vond een kies-marathon plaats met provinciale, parlements-, presidents- en gemeenteraadsverkiezingen. De PALIPEHUTU-FNL was getransformeerd tot FNL. In de eerste ronde won CNDD-FDD, FNL werd tweede, FRODEBU verloor. Alle belangrijke oppositiepartijen uitten beschuldigingen over fraude, trokken hun presidentskandidaten terug en weigerden deel te nemen aan het parlement. Nkurunziza had als presidentskandidaat voor de CNDD-FDD geen tegenstander. Alleen UPRONA besloot later nog wel mee te doen met de parlementsverkiezingen. Ongeveer een derde deel van de bevolking werd (en wordt) zodoende niet in het parlement vertegenwoordigd.
CNDD-FDD kreeg er later een satelliet partij bij, in de vorm van een afsplitsing van FRODEBU met de naam FRODEBU Nyakuri (wat ‘Echt FRODEBU’ betekent). CNDD-FDD, FRODEBU en UPRONA hadden hun partijstructuur en procedures steviger op orde dan andere partijen. In het algemeen waren besluitvormingsprocedures bij vroegere gewapende bewegingen die nu politieke partijen waren geworden niet erg transparant.
Om de situatie toch te kunnen begrijpen keek Tobolka naar machthebber CNDD-FDD met FRODEBU Nyakuri enerzijds en de vijf grootste oppositiepartijen anderzijds. Zijn uitgebreide beschouwingen, die hij baseert op analyses van de verkiezingen in 1993, 2005 en 2010 en zijn eigen veldonderzoek in 2012, kunnen we eenvoudig samenvatten met de uitspraak dat de machtspartij CNDD-FDD stelselmatig en met hulp van onder leiding van de partij staande gewapende groepen de betere banen verdeelde en andere partijen en tegenstanders intimideerde en bestookte. Vooral op provinciaal niveau, dus breed gespreid in het land, was dit gewoonte. Overheidsgeld werd benut voor de partij. Wie een baan wilde hebben moest de partij betalen. Gedetailleerd werd bijgehouden wie lid en aanhanger was van de partij. In sommige gebieden had de partij meer gezag dan de politie. Besluiten werden alleen in de top genomen. Leden die zich niet loyaal betuigden werden afgezet en zo nodig vervangen als parlementslid, waarvoor een elf-koppige Conseil des Sages was geïnstalleerd: zes ‘gekozen’ door het nationale congres en vijf aangewezen door de president.
Systematische repressie van oppositiepartijen, zowel leden als organisatie, is na de boycot van de verkiezingen van 2010 toegenomen. Dit middels intimidatie, dreigingen, aanslagen door politie, geheimen dienst, gewapende groepen. Als lid van een oppositiepartij was het bijna onmogelijk om een baan te krijgen, promotie te maken, handel te drijven of gewoon iets rechtmatig te regelen met overheden. Wekenlange detenties op basis van ongegronde en onbewezen beschuldigingen (fraude, terrorisme, wapenbezit, voorbereiden van een gewapend verzet, belediging van de regering) waren een feit, vooral in de heuvels. We kennen dergelijke praktijken uit de mond van verschillende Burundesen. Ook werd de CNDD-FDD geholpen door het ministerie van Binnenlandse Zaken en de rechterlijke macht om oppositiepartijen te splitsen in tegendraadse fracties of te verbieden met behulp van diverse formaliteiten en procedures. Leden van oppositiepartijen werden ‘verzocht’ tegen hun eigen statuten te stemmen of hun leiders af te zetten. Dit gebeurde met FRODEBU in 2008, FNL in 2010, UPD in 2011 en UPRONA en MSD in 2014, volgens gegevens van Amnesty International. Hierdoor waren de structuren van FNL, UPD en UPRONA in juli 2014 technisch illegaal geworden en was de MSD voor maanden geschorst. Het functioneren van deze partijen was verlamd geraakt door de repressie, vooral op de lagere niveaus in het land. De FNL ging als belangrijkste oppositiepartij in 2010 ondergronds. Partijleden vluchtten voor langere tijd naar Rwanda of naar familie elders in Burundi of sliepen buitenshuis omdat zij op een wraaklijst stonden. Partijarchieven werden soms in de bossen verborgen, partijen stopten met schriftelijk communiceren en vergaderingen werden vervangen door informele gesprekken. Een andere effectieve maatregel was dat oppositiepartijen geen aanspraak konden maken op fondsen. Om lid van een partij te zijn moet men betalen of diensten leveren, maar tijdens de verkiezingen van 2010 begon de CNDD-FDD geld en materialen uit te delen.
Informeel wordt er nog altijd via sociale netwerken in de gaten gehouden wie aanhanger is van welke partij. In de provincies waren er hierdoor in 2012 nog nauwelijks officiële afgevaardigden van FNL, FRODEBU en MSD en kleinere partijen bestonden alleen nog in de hoofdstad. Alleen UPRONA heeft nog wat afdelingen in de heuvels. De meeste partijen hebben geen staf of kantoor meer en een deel van hun leden maakte de overstap naar CNDD-FDD, onder medeneming van partijgegevens. Een politieke mening hebben is een riskante zaak. Hoe helder we het ook vonden dat Burundesen wel spraken over de vroegere ellende tussen Hutu’s en Tutsi’s, zo duidelijk geven de bevindingen van Tobolka ook aan dat het gewone dagelijkse leven niet veilig is als je niet bij de machtspartij hoort. Geen wonder dat mensen, vaak jongeren, liegen over hun achtergronden en gedachten, zoals in het proefschrift van Lidewyde Berckmoes te lezen is. Of dat ze het land ontvluchten. Wanneer je vader is vermoord omdat hij iets voor een oppositiepartij heeft gedaan, dan ben je als jongere je leven ook niet meer zeker.
Partijleider Rwasa van FNL was een vroegere medestander van Nkurunziza, maar verbleef van 2010 tot 2013 in het buitenland. Nu hij terug is heeft hij formeel geen partij. Sinduhije van de MSD was in 2014 nog voortvluchtig. Kampayano van de USD trof bij terugkeer een opgedeelde partij aan. Nyangoma van de CNDD was nog altijd verbannen. UPRONA heeft twee tegengestelde vleugels en bemoeienis van de minister van Binnenlandse Zaken van de CNDD-FDD. Alleen de FRODEBU lijkt overeind te zijn gebleven en houdt soms een partijcongres.

Het lijkt een wonder dat er toch nog oppositiepartijen bestaan. Tobolka verklaart dit vanuit historische processen die hun identiteit bepaalden. Deze processen ziet hij als louter politiek en geworteld in het sterk hiërarchische karakter van de Burundese samenleving, dat nog altijd, zij het in een nieuwe verschijningsvorm, bestaat.
Partijen die hun identiteit ontlenen aan de genocide tegen Hutu’s van 1972:
Een partij als UPRONA is na de start overgenomen door Tutsi’s, die Hutu’s uitsloten van het politieke en economische leven. Tegenwoordig zijn veel Tutsi’s aanhangers van Hutu-gedomineerde partijen, inclusief vroegere bewapende bewegingen zoals CNDD-FDD. Anderen zien UPRONA als een garantie voor de veiligheid van de Tutsi-minderheid. FRODEBU begon als een vluchtelingenverzet, dat de macht wilde verdelen met politieke en niet met gewapende strijd. Ook nadat veel leiders van FRODEBU waren vermoord, behield de partij het uitgangspunt van geweldloosheid, maar faalde om de bevolking die de partij groot had gemaakt te beschermen en verloor aan geloofwaardigheid. Er scheidden zich wel drie fracties af: de CNDD, de Sangwe-Pader partij en FRODEBU Nyakuri, maar deze bleven allemaal geweldloos. Het lukt FRODEBU niet om de tragische erfenis kwijt te raken en daardoor krijgt het onder jongeren weinig aanhangers.
Partijen die hun identiteit ontlenen aan de oorlog van 1993 tot 2004:
Deze oorlog bepaalde de relatie tussen CNDD-FDD en FNL. Beide Hutu-bewegingen waren bewapend en hadden veel afsplitsingen. ‘Zij deelden gevaren, gevechten in de bossen, ellende en ongemak en waren zowel slachtoffers als daders. Uiteindelijk werden veel leden opgenomen in het leger of veiligheidstroepen zoals was besloten bij de vredesbesprekingen. Anderen kregen financiële hulp om een burgerleven op te bouwen. Hun leiders kregen hoge posities bij leger, politie, overheid en regering. Een belangrijke groep in de CNDD-FDD komt uit de jungle, ze hebben geen opleiding en leven daardoor met een minderwaardigheidscomplex. Toen zij moesten vechten, konden anderen naar school. Zij zullen niet afzien van macht, zij zijn als Kagame (Tutsi, president van Rwanda, KzG)’. Gehoorzaamheid van een Hutu aan een meerdere en trouw aan een groep wordt gezien als cultureel stereotype. FNL blijft de belangrijkste tegenstander van de CNDD-FDD en is ook bereid te vechten. De partijen staan vijandig tegenover elkaar. (Andere artikelen melden dat de FNL de laatste jaren banden heeft aangeknoopt met Congolese rebellen, en langs deze weg betrokken is bij onlusten in Zuid-Kivu en een laffe aanslag in 2011 op een café in Gatumba met 37 doden, waaronder kinderen, KzG)
Tenslotte, één partij behoudt het post-conflict vertrouwen in een vrije democratie:
De MSD blijft vertrouwen op een werkelijke democratie en heeft aanhangers onder jonge meer westerse stedelingen (elite). De ideologie van de elite maakt geen indruk op de andere kant van de samenleving, de kerkelijke boeren. De MSD preekt de ideologie via leden die als leraren hun leerlingen en daarmee hun ouders en familie proberen te overtuigen.

De cohesie binnen politieke partijen blijft volgens Tobolka een relevante factor. Binnen de CNDD-FDD is de aard van de samenhang wel duidelijk, daar heeft men toegang tot verder schaarse zaken zoals banen en middelen, en corruptie wordt niet gemeden. Ook voor de bewoners van het binnenland levert het banen of machtsposities en goederen op. Alleen in 2007 en 2011 zijn er korte tijd kritieken geweest op de corruptie binnen de partij, wat leidde tot een gevangenisverblijf van een leider en de afscheiding van een vleugel.
Het is moeilijker om de samenhang binnen de oppositiepartijen te verklaren. Het zou voor de hand liggen om partijen te zien als verlengstukken van vroegere belangengroepen, bv. vakbonden. Maar die had Burundi niet. Burundese partijen steunen op informele, meer persoonlijke netwerken, die veel veerkracht blijken te hebben. Ze hebben geen sterke organisatie, geen goede besluitvormingsprocedures en ze maken electoraal weinig kansen in de gewelddadige politieke setting. Toch blijven de partijen bestaan en bieden tegenwicht tegen de machtspartij. Dit komt omdat zij altijd hoop hebben gehouden om verder te komen, en dat zij aanmoediging voelen doordat op provinciaal niveau hun invloed aanwezig is in het bestuur (niet in de lagere overheden). Hun leiders, zoals Rwasa en Sinduhije, bleven motiveren en er waren enkele openbare vergaderingen ondanks repressieve maatregelen van de staat. Er was sprake van een oppositie alliantie ADC-Ikibiri met een sterke presidentskandidaat (wat uiteindelijk niet is gelukt, KzG). Partijen namen deel aan workshops en onderhandelingen met de regering die de VN organiseerden. En, niet onbelangrijk, ADC-Ikibiri-partijen haalden in 2010 landelijk 26,8% van de stemmen en samen met UPRONA behaalde de oppositie zelfs 33%. Zonder verkiezingsfraude zou dat volgens Tobolka zelfs 35 tot 40% zijn geweest. In Bujumbura haalde de CNDD-FDD in 2010 zelfs maar 28% van de stemmen.
Zwakte en sterkte zijn samen te vinden bij de oppositie. Leden blijven lid, ook al biedt het ze eerder nadelen dan voordelen. Zij nemen de politieke strijd serieus als tegenwicht tegen het regime, doorstaan de repressie en hebben mensen klaar staan om hoge posten te bekleden.

(In het artikel komt de rol van de machtige katholieke kerk in Burundi niet aan de orde, valt ons op.)

Er is een democratie van dieven, zeggen Burundesen. Er zijn toch mensen en partijen die daar tegenin durven gaan.
Er lopen mensen met een pistool tussen hun broeksband. Anderen kunnen dat niet voorkomen maar weten dit elegant te negeren.
Burundesen, uitgezonderd de corrumptieve groep, vinden hun weg in deze complexe setting en proberen op bewonderenswaardige wijze het leven te leven met weinig middelen en veel zorg voor elkaar. Het verbaast niet dat sommigen zich a-politiek opstellen, maar je weet nooit of ze dit menen.

Inmiddels zijn twee van de vijf functionarissen van de CENI (verantwoordelijk voor goed democratische verkiezingen) het land uit gevlucht. Eén liet een ontslagbrief achter. Door de drie overgebleven leden kunnen geen legale besluiten worden genomen. Agathon Rwasa, die momenteel wordt gezien als de belangrijkste tegenkandidaat als president, spreekt over schijnverkiezingen, als die inderdaad komende vrijdag, 5 juni 2015, gaan plaatsvinden.
Diplomatie heeft geen enkel effect.
Er zijn berichten dat de oppositiepartijen hebben aangegeven niet mee te doen met de verkiezingen. Dit wordt door verschillende bronnen bevestigd.
Gehoopt wordt op een nieuwe kiescommissie van de VN, die rekening houdt met alle partijen en zorgt voor een veilig kiesklimaat. Daartoe zouden gevangen genomen demonstranten moeten worden vrijgelaten, de vrije meningsuiting en het bestaansrecht van onafhankelijke media en het recht van oppositiepartijen moeten worden hersteld. Human right observers van de AU en proportioneel geweld door vredeslegers zou moeten worden toegestaan. Ook wordt toegevoegd dat de cholera epidemie in Tanzania onder Burundese vluchtelingen moet worden bestreden.
De EU bijdrage aan het Cotonou verdrag zou moeten worden gestaakt.
‘Concerning participation in peacekeeping missions, the AU, VN and Burundi’s other international partners should warn President Nkurunziza and his military command that the involvement of Burundian troops in these operations across the continent will be under review.’
De algemene gedachte is dat dit niet goed kan gaan. Treurig, voor al die Burundesen die er het beste van hebben gemaakt tot nu toe, met zo weinig kansen. Verdrietig, zoveel menselijk leed als dan te verwachten zal zijn.

Verantwoording:
De informatie die is gebruikt voor dit bericht van Kennis zonder Grenzen is verkregen van openbare media en van bekenden uit Burundi en Nederland.